Gepubliceerd op: maandag 11 maart 2019

EI 150: Stef Bos – Op een dag

 

Op een dag
Zag ik in het woord
Machteloos
Voor de eerste keer
Mijzelf

____
Hoe kort het ook is, er wringt iets in dit gedicht.

Het woord ‘Machteloos’ staat centraal. Dat is niet moeilijk te zien. Het vormt in zijn eentje de middelste versregel. Het bestaat uit drie lettergrepen, en twee daarvan spelen mee in twee gedichtbepalende klanklijnen. ‘Mach-‘ sluit de lijn van ‘dag’ via ‘Zag’ af. En ‘-loos’ vormt het midden van een reeks naar voren schuivende langgerekte oo-klanken, tussen ‘woord’ en ‘Voor’.
Ook inhoudelijk staat het centraal. Het gedicht is ambivalent. Het is gebouwd op een dubbele lezing van ‘Machteloos’. In de ene lezing is ‘Machteloos’ ‘het woord’ waarin de ‘ik’ zichzelf ‘zag’. In de andere lezing ‘zag’ de ‘ik’ zichzelf in ‘het woord’ (in het algemeen) en was daarbij ‘machteloos’.

In beide gevallen is de ‘ik’ ‘machteloos’. Geen fijn gevoel. Niet iets om trots over te vertellen op feestjes, meer iets om een gedicht over te schrijven. Maar wat wringt er?

Het tijdsaspect is opvallend in dit gedicht. Misschien omdat zoveel van de weinige woorden daarmee te maken hebben. ‘Op een dag’ zegt eigenlijk weinig, en juist daarmee heel veel. Het was gewoon ‘een dag’ als elke andere dag. En ‘Voor de eerste keer’ versterkt dat alleen maar: niet alleen kan die machteloosheid de ‘ik’ op iedere willekeurige dag overvallen, blijkbaar komt het vaker voor.

Een ander aspect is het zien. Wat betekent het dat je jezelf ziet in ‘het woord’ (al dan niet specifiek het woord ‘Machteloos’)? Blijkbaar is er iets van herkenning. Blijkbaar is er ook iets visueels. Jezelf zien in ‘het woord’ als in een spiegel: betekent dat volledig samenvallen met de taal? Al is het maar voor even. Waarom daar ‘machteloos’ bij zijn, of waarom zou je dat alleen bij het woord ‘Machteloos’ zien?
Het visuele is ook opvallend in dit gedicht, omdat het juist een grote klankenrijkdom kent. Ik wees hierboven al op twee belangrijke klanklijnen. Daarnaast kent v4 opvallende langgerekte ee-klanken. De versregels van het gedicht bestaan uit drie of vijf lettergrepen. Iedere versregel begint en eindigt met een beklemtoonde lettergreep en wisselt tussendoor in vaste regelmaat af met een onbeklemtoonde lettergreep. Daarmee kent het gedicht een regelmatig metrum.

Tenminste, tot de laatste versregel, want dat is waar het wringt. Die begint niet met een beklemtoonde lettergreep. Die zou uit drie lettergrepen moeten bestaan, maar heeft er maar twee. Er ontbreekt iets. Als we nog eens kijken naar de langgerekte oo-klanken, zien we dat die op v2 de vijfde lettergreep inneemt, op v3 de derde, op v4 de eerste, en op v5 zou er dus een woord met een langgerekte oo-klank de -2de lettergreep moeten innemen. En misschien is dat ook wel zo, want die kunnen we natuurlijk niet zien of horen.
Aan het einde van het gedicht, bij ‘Mijzelf’, wringt het. Blijkbaar valt de ‘ik’ niet zo mooi samen met ‘het woord’ als met een spiegelbeeld. Misschien dat daar ook de machteloosheid vandaan komt.

‘Mijzelf’ in de laatste versregel is niet volledig. De rest is verdwenen, misschien achter de kantlijn. In het ontbreken toont zich de meester.
____

 

Ruimte
Stef Bos (tekst) & Lieke Anna (beeld)
Uitgeverij Lannoo
ISBN 9789401458252

 

 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.