Gepubliceerd op: maandag 25 februari 2019

EI 146: Fatena Al-Ghorra – Pendel

 

Als een tros
hang ik aan versleten draden
geen hand houdt ze vast
om op de grond te zetten
om te blijven staan
schommelende pendel
geen tijd om op te volgen
ik weet niet hoe ik bij de kust kom.

Ik ben de pendel van de verre kust
bereid mijn schip voor en vrees het duister
ik inspecteer mijn schip en vaar weg
ik geef niet om zeerampen
om de drenkelingen die voor mij schreeuwen
de geesten die in mijn oor krijsen.

Mijn geheel slingert
mijn helft slingert
een deel van me slingert
ik vind geen tijd in de klok
om stil te blijven staan
de tijd staat stil.

____
De ‘tros’ uit v1 moeten we zien als een touwenkabel van een ‘schip’, zo wordt al snel duidelijk. Wel hangt die ‘tros’ zelf ‘aan versleten draden’. Zoals de touwen zelf dienen om het schip vast te houden, zo dienen deze ‘draden’ om die touwen vast te houden. Omdat ze ‘versleten’ zijn, lijkt het er niet op dat het vasthouden nog lang gaat lukken.
Bovendien is het een vergelijking, zoals het allereerste woord van het gedicht aangeeft. Dat past goed bij het echoënde van het beeld. Een ‘ik’ hangt ‘aan (…) draden’. En daarmee komt het beeld van een marionet naar boven, zeker met de mededeling van v3 ‘geen hand houdt ze vast’. Niet alleen zijn de ‘draden’ ‘versleten’, er is ook geen meester, geen hogere macht die de ‘ik’ bestuurt.
Nu kunnen we het ‘versleten’ zijn van de draden zien als een aanstaande bevrijding, maar v4 doet ons beseffen dat de ‘ik’ zo’n ‘hand’ wel prettig had gevonden ‘om op de grond te zetten’, om vastigheid te geven. Nu hangt de ‘ik’ maar zo’n beetje tussen hemel en aarde, tussen hoop en vrees, een ‘schommelende pendel’, ‘ik weet niet hoe ik bij de kust kom’.

Wie is deze ‘ik’? De tweede strofe begint met een expliciet antwoord: ‘Ik ben de pendel van de verre kust’. Daarbij kan een ‘pendel’ een persoon zijn, of een veerboot, of een instantie. De ‘ik’ is niet het ‘schip’ zelf, zo blijkt uit de rest van de strofe.
We kunnen deze strofe psychologisch interpreteren: een schipper is getraumatiseerd door alle ‘zeerampen’ en ‘drenkelingen’ die ij heeft meegemaakt. Zelf kan ij niet ‘schreeuwen’, dat doen ‘drenkelingen (…) voor mij’. Het ‘krijsen’ van meeuwen en andere vogels ervaart ij als ‘de geesten die in mijn oor krijsen’. We kunnen hier een verband leggen naar vluchtelingen en onveilige overtochten.
We kunnen de strofe ook metafysisch interpreteren. Daarbij is de ‘ik’ een soort Charon die de doden naar een hiernamaals (‘de verre kust’) brengt. Het woordje ‘voor’ uit v13 krijgt dan een andere betekenis: ‘de drenkelingen (…) schreeuwen’ in het aanzien van de ‘ik’, want dat betekent voor hen de dood. De ‘geesten’ zijn dan de eerder overgevarenen.

In de eerste drie versregels van de derde strofe is er een steeds kleiner deel van de ‘ik’ dat ‘slingert’. Daarmee wordt ook de beweging steeds kleiner en lijkt er een verstilling op te treden. Tegelijk leren we: ‘ïk vind geen tijd in de klok / om stil te blijven staan’. Voor de ‘ik’ dus geen rust, zoals we al uit de eerste strofe hadden begrepen. Desondanks werkt de laatste strofe, en daarmee het hele gedicht, toe naar ‘de tijd staat stil’. Blijkbaar staat de ‘ik’ buiten de tijd. Misschien een soort Sisyphus voor wie tijd geen betekenis heeft, of -beter bij het maritieme thema van het gedicht- een Vliegende Hollander.

Een opvallend woord in dit gedicht is ‘om’. Het komt zes keer voor. Die voorkomens nemen af: drie keer in de eerste strofe, twee keer in de tweede, en één keertje in de derde. Zo dragen ze bij aan het proces van verstilling.
Maar niet iedere keer dat het woordje ‘om’ voorkomt, betekent het hetzelfde. In de eerste en de laatste strofe geven ze een doel aan, waarschijnlijk kunnen we zelfs spreken van een verlangen van de ‘ik’. Daarbij is het verlangen naar vastigheid in v5 ‘om te blijven staan’ in v19 het verlangen naar rust en stilstand geworden: ‘om stil te blijven staan’. In de tweede strofe hoort het woordje bij ‘ik geef niet’ en duidt het dus op een niet-verlangen.
Zo slingert, of pendelt zo u wilt, het gedicht van de eerste naar de tweede strofe. We kunnen een verband leggen met het echoënde van het beeld aan het begin. Dat zagen we terug in v6: ‘een schommelende pendel’. Het heen-en-weer varen, de grote beweging, komt terug in het ‘schommelen-‘, de kleine beweging. Misschien moeten we zo ook het proces richting verstilling zien in de laatste strofe. Een afnemende echo.
____

 

Neem dit lichaam
Fatena Al-Ghorra
Vertaling door Nisrine Mbarki
Uitgeverij Jurgen Maas & Uitgeverij P
ISBN 9789491921568

 

 

 

 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.