Gepubliceerd op: vrijdag 14 december 2018

EI 131: Toon Tellegen – Twee vrouwen (2)

 

Twee vrouwen, op een papieren fiets,
de een met de arm om het middel van de ander

ze rijden tegen een berg op, in de brandende zon,
ze willen weten wanneer ze niet meer zullen kunnen
                                                      en eindelijk, eindelijk gelukkig zullen zijn

schapen juichen hen toe

als ze boven zijn steken ze de fiets in brand
en worden besluiteloos, idioot en heel oud.

 
___
Gisteren gaf ik een workshop poëzie lezen op een middelbare school. Met twee klassen behandelde ik bovenstaand gedicht.

De ene klas kreeg een opdracht zoals Jeroen Dera die beschreef in Levende Talen Magazine. De leerlingen moesten eerst individueel en daarna in kleine groepjes de regel kiezen die ze de belangrijkste vonden. En natuurlijk uitleggen waarom.

Een groepje vond de eerste versregel de belangrijkste, omdat die “meteen de mindset van het gedicht bepaalt. Die ‘twee vrouwen’ en de ‘papieren fiets’ blijven tot het einde”.
Een ander groepje vond juist v3 de belangrijkste, omdat die beschrijft wat er nou eigenlijk gebeurt (‘ze rijden tegen een berg op’) en goed weergeeft hoeveel moeite ze moeten doen (‘tegen de berg op’, ‘in de brandende zon’).
Een ander groepje vond juist de motivatie van de ‘twee vrouwen’ het belangrijkste en koos daarom voor v5. Die versregel geeft goed aan dat de vrouwen ernaar verlangen ‘eindelijk gelukkig te (..) zijn’. Voor nog een ander groepje lag de motivatie juist in het ‘willen weten’ van v4.
Er was ook een groepje dat v6 de belangrijkste vond, want “de ‘schapen’ zijn toeschouwers die hen aanmoedigen en die zijn belangrijk”.
De zevende versregel was favoriet bij weer een ander groepje, omdat ze dan bij hun doel zijn en het ‘middel’ waarmee ze dat hebben bereikt niet meer nodig hebben. Eén leerling dacht juist dat ze de ‘papieren fiets’ in brand staken zodat ze niet meer terug konden.

Vervolgens kregen ze de opdracht een afbeelding te zoeken die ze goed bij het gedicht vonden passen. De meeste groepen vonden een plaatje van een papieren fiets of een brandende fiets. Desondanks legde niemand het verband tussen ‘de brandende zon’ en ‘de fiets in brand’. Eén leerling stelde zelf snel op zijn telefoon een plaatje samen met de meeste elementen uit het gedicht: twee oude vrouwen, op een fiets tegen een berg, een zon, twee schapen versierd met de woorden “juich, juich”. Een ander groepje had een plaatje van een wielrenner die bijna op de top was van een extreem steile berg. Dat gaf goed het fieten en het overwinnen van moeilijkheden aan. De vraag welke dingen, naast de ‘fiets’ natuurlijk, in het gedicht aan wielrennen deden denken was evenwel een stap te ver. Zo snel konden ze blijkbaar losse woorden niet in een andere context plaatsen.

De andere klas kreeg de opdracht “SPEUR ALS EEN DETECTIVE” zoals aangegeven op Hallo Gedicht!. Daarbij moesten de leerlingen eerst aanwijzingen uit het gedicht halen door vragen als Wie? Wat? Waar? Wanneer? Hoe? te beantwoorden. Vervolgens moesten ze vermoedens opstellen. De vragen waren snel beantwoord. Alleen Wanneer? bleek nog lastig. De ene groep kwam erop dat ‘in de brandende zon’ duidde op de zomer, en andere dat het waarschijnlijk ook middag was. Op mijn vraag of het gedicht zich eigenlijk op één tijdstip afspeelt, ontstond wat verwarring, maar uiteindelijk was de consensus dat het gedicht een fase kent van tegen de berg opfietsen, en een fase van op de top zijn. Volgens één leerling besloeg het gedicht een heel leven.

En zo kwamen we vanzelf bij de vermoedens. De betreffende leerling vond dat “jij zelf de ene vrouw bent en de andere vrouw zijn je naasten, die je helpen bij opgroeien en de moeilijkheden die je ondervindt als je iets wilt bereiken. En uiteindelijk ga je dood.” Dat was een aaneenschakeling van verschillende vermoedens. Een groepje opperde het vermoeden dat de twee vrouwen wel eens lesbisch zouden kunnen zijn. Ze blijven immers samen, ook op een moeilijke reis, ook als ze de top bereikt hebben en ‘besluiteloos, idioot en heel oud’ worden. In dit verband spraken we met de klas ook over hoe de ‘twee vrouwen’ op de ‘fiets’ zitten: misschien is het een tandem, maar waarschijnlijk zit eentje voorop en trapt en zit de ander achterop ‘met de arm om het middel van de ander’. Dat geeft een zekere mate van intimiteit aan: deze vrouwen voelen zich confortabel samen. (Ene leerling: “bij gewone vrienden kan dat ook”, andere leerling: “ik houd anders liever het zadel vast”.)
Er was nog een andere leerling die een keten van vermoedens tot een sluitende interpretatie had geregen: “Die twee vrouwen staan voor iedereen. Iedereen wil de top bereiken maar dat is moeilijk. En als je de top bereikt, blijkt er niks te zijn.” Een andere groep had het vermoeden dat “het fantasie is: een papieren fiets kan niet, zeker niet met zijn tweeën erop en dan bergop. En schapen juichen niet”.

Dit was voor mij een mooie aanleiding om de groepen een korte vervolgopdracht te geven: in hoeverre is dit een sprookje? Wat zijn de overeenkomsten met een sprookje en wat de verschillen? Volgens één groepje was het zeker geen sprookje want “het begint niet met Er was eens en het eindigt niet met En ze leefden nog lang en gelukkig“. Ze kregen bijval van een leerling uit een ander groepje: “Sprookjes lopen altijd goed af, en het gedicht niet”. Een andere groep vond het wel een sprookje, omdat “de laatste zin ook beschrijft dat ze lang leven. En het gedicht gaat ook over gelukkig worden.” Weer een ander groepje vond het erg op een sprookje lijken, want “er zitten dingen in die in het echt niet kunnen zoals de papieren fiets en de juichende schapen. En er zit een boodschap in, net als bij sprookjes.”

Al met al veel indrukken over een best lastig gedicht met middelbare scholieren waarvan de meesten niet op poëzie zitten te wachten.
___
 


Glas tussen ons
Toon Tellegen
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021415284
 

 

 

 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.