Gepubliceerd op: vrijdag 7 december 2018

EI 130: Liesbeth Lagemaat – Over hoe dat torretje

 

hier op de tafel terechtkwam. Een heel verhaal. Maar dan moet ik eerst dat
andere, grotere verhaal vertellen. Dát, dat was geen sprookje maar de pure

werkelijkheid, kijk dan: een kloofje zo zacht als het woord zelf splijt nog steeds
onze lucht. Hoger wisten ze niet, maar men wees elkaar de plek aan, voor die

andere wereld een put. Gevallen zielen die niet ophielden met vallen. Het gat
was, honderden honderden jaren geleden, veel groter (stel je een krater voor),

soms tuimelden er hele groepen slechteriken tegelijk in. Doorheen, de wolken-
sluiers dun als vitrage, doorheen, de matrassen van kapok, tot ook die weer

kruimelden tot wufte plukken, drijvende roomsoesjes of soms zelfs haast
bellenblaasvlokjes, de nevel kleefde op armen en benen van de vallenden.

Dat gat moest dus dicht. Een even lumineus als eenvoudig plan kwam van
de hoogste instantie: nu allen op de knieën, handen vouwen, ogen toe,

het voorhoofd ten hemel geheven. En langzaam, lettergreep voor lettergreep,
zou het Gat gesloten worden, de omgekeerde Put gedicht. – Het plan was

perfect maar de uitvoering haperde. Te weinig knieën en handen en voor-
hoofden beschikbaar, het leger biddenden slonk met de eeuwen. Die scheur

daar, als een barstje in een porseleinen kom, ik zweer het je, vanmiddag
zag ik een paar zwarte insectkleine voetzooltjes naar buiten steken.

 
___
In dit gedicht doet Liesbeth Lagemaat even denken aan F.ten Harmsen van Beek. De titel loopt door in de tekst. Er zijn eigenzinnige woorden en grappige assonanties; dezelfde speelse amplificatie; lange regels in disticha, maar dit doet ook denken aan magisch realisme.

De toon is opgewekt en vertellend, alledaags. De dichteres spreekt de lezer toe. Ze stelt tegenover elkaar een vreemde gebeurtenis: ‘een barstje in een porseleinen kom, ik zweer het je, vanmiddag / zag ik een paar zwarte insectkleine voetzooltjes naar buiten steken’ en een groter verhaal dat volgens haar ‘geen sprookje’ is, ‘maar de pure werkelijkheid’ en dan komt er een Jeroen Bosch-achtige gebeurtenis. Er is nog een ‘een kloofje zo zacht als het woord zelf’: een overeenkomst tussen het woord en zijn betekenis enerzijds en de waarneming van het uitspreken en horen van dat woord anderzijds (iconisch taalgebruik).

Er zijn mensen aan het discussiëren over een gebeurtenis. De dichteres noemt eerst het collectief: ‘ze’ en daarna het onbepaald voornaamwoord ‘men’. Er volgt een tegenstelling: hoog in de lucht en vanuit een hemels perspectief een put. Men dacht vroeger dat de slechte zielen na een oordeel dwars door de kosmos naar beneden vielen, in een helse put. We kunnen dat lezen in Dante’s Inferno.
De dichteres beschrijft de val langzaam en spottend: ‘Doorheen, de wolken- / sluiers dun als vitrage, doorheen, de matrassen van kapok, tot ook die weer // kruimelden tot wufte plukken, drijvende roomsoesjes of soms zelfs haast / bellenblaasvlokjes, de nevel kleefde op armen en benen van de vallenden.’

De spot gaat verder, eerst door de nuchtere constatering dat het gat ‘dus’ dicht moest en vervolgens door een zogenaamd compliment: ‘even lumineus als eenvoudig plan’ en ‘de hoogste instantie’ en het eenvoudige “bevel” ‘nu allen op de knieën’ etc.
Het geheel doet denken aan het dichten van het ozongat. Met gebeden zal het niet lukken. Nu worden hoofdletters gekozen vanwege de verheven, metafysische betekenis: ‘Gat’ en ‘Put’. De spot blijft want het gaat niet zoals ‘de hoogste instantie’ wilde: ‘het leger biddenden slonk met de eeuwen’. Ja en dan gaat het niet lukken.

Tenslotte komt de dichteres terug bij de eerste ongelooflijke waarneming: ‘zag ik een paar zwarte insectkleine voetzooltjes naar buiten steken.’
Een gebeurtenis die haar doet denken aan het mythische verhaal, dat ze ‘geen sprookje’ noemt, waarbij als “bewijs” het ‘kloofje’ geldt dat ‘nog steeds onze lucht’ ‘splijt’.
___
 


Abri
Liesbeth Lagemaat
Uitgeverij Wereldbibliotheek
ISBN 9789028427778

 

 

 

 

About the Author

- Dichter, prozaïst,criticus, interviewer.