Gepubliceerd op: maandag 26 november 2018

EI 128: Robbert-Jan Henkes – Gaten en gaatjes

 

Andere kinderen sparen plaatjes
Maar Zebedeus spaarde gaatjes:

Gaatjes in zijn tanden,
Gaatjes in het kippengaas,
Gaatjes in zijn banden,
Gaatjes in de gatenkaas.

Hij had er veel van, want het rare
Was dat niemand anders ze wou sparen:
Zebedeus had het rijk alleen –
Hij was gatenspaarder nummer één!

Gaatjes in sokken, gaatjes in broeken,
Gaatjes in rokken, gaatjes in doeken,
Gaatjes zo klein
Dat je ze heel goed moet zoeken,

Al was het een gaatje van een boor:
Hij vond er wel een plekje voor.

Gaatjes geprikt en gaatjes versleten,
Gaatjes geknipt en gaatjes gebeten,
Gaatjes zo oud
Dat ze allng zijn vergeten,

Al is het een gaatje in een muur,
Hij pakt alles aan vol vuur.
En overal, in alle laatjes
Had hij plakboeken vol gaatjes,
Gaatjes in soorten en gaatjes in maten,
en niet alleen gaatjes – maar ook hele gaten

Gaten in deuren en ramen en wanden,
Gaten in kisten en dozen en manden,
Onder zijn bed en in de kast,

En ja, dat gaf soms overlast:
Het trapgat vulde de garage,
Het gat op zolder gaf lekkage,
In de tapijten en gordijnen,
In de deuren en kozijnen
Begonnen gaten te verschijnen…
Dat ging zo door, tot moeder zei:
‘Nu kan er echt geen gat meer bij!
Weg met die dingen! ik ben het zat!
Het is hier straks nog één groot gat!
Ik vind zelfs gaten in de pasta!
Morgen zijn ze werg en daarmee basta!’

Maar Zebedeus zei: ‘Dat nooit!
Geen gat heb ik ooit weggegooid!
Zou ik nu beginnen? Nee!
als de gaten gaan, dan ga ik mee.’
Toen pakte de verzamelaar
Al zijn gaten bij elkaar,
Deed ze in een plunjezak,
sloeg de deur dicht met een smak –

En verdween…

 
___
Mensen vragen wel eens wat mijn favoriete dichter is, of mijn favoriete gedicht. Ik weet nooit zo goed wat ik daarop moet antwoorden. Soms geef ik wel een antwoord, soms niet. Eén van mijn favoriete gedichten kan ik wel verklappen. Dat is A Song About Myself van John Keats. Bovenstaand gedicht deed me er aan denken.

Een zelfde lichte toon, een zelfde ironie. Een zelfde speelsheid en taalplezier. Een zelfde meesterschap in metrum en rijm ook. In beide gedichten spelen opsommingen een grote rol. Ze gebruiken inspringing om de tekst visueel te structureren. Ze gaan ook allebei over een reis.
Hier is het waarschijnlijk goed om te vermelden dat het bovenstaande gedicht deel 1 is van het lange epische gedicht de ongelofelijke avonturen van Zebedeus de gatenspaarder en hoe het met hem afliep – of niet met hem afliep – toen hij in een gat gevallen was; naar waarheid opgetekend en van illustraties voorzien door twee betrouwbare ooggetuigen. Deze titel lijkt geinspireerd op -en ook te spotten met- de roman van Jac. van Looy uit 1925 De wonderlijke avonturen van Zebedeus.
Het gedicht van Robbert-Jan Henkes bestaat in totaal uit 7 delen. Voor de rest van deze bespreking zal ik me alleen met bovenstaande eerste deel bezighouden, dat de opmaat is tot de reis.

Het spel van dit gedicht is een spel met afwezigheid. De ‘gaten en gaatjes’ zijn een ontbreken, een negatie van aanwezigheid. Dat kan zowel wenselijk zijn (zoals het ‘trapgat’, dat alleen functioneel is omdat je erdoor kunt), en het kan onwenselijk zijn (zoals de ‘gaatjes in zijn tanden’ en ‘gaatjes in zijn banden’). Het spel van dit gedicht laat van verschillende voorbeelden de wenselijkheid in het midden. Zijn de ‘gaatjes in het kippengaas’ de ‘gaten’ die de mazen vormen en daarmee een wezenlijk onderdeel van het ‘kippengaas’? Of zijn het ‘gaten’ daar nog in, die niet de bedoeling zijn? Idem met ‘gaten in deuren’: is dat “het gat van de deur”, of misschien het sleutelgat, of gaat het over onwenselijke gaten die in de deuren getrapt of geslagen zijn?

Het eindrijm is steeds vol en wisselt staand en slepend af; het rijmschema is grotendeels gepaard, met een enkele keer gekruist rijm. Twee keer komen er in de ingesprongen delen versregels voor die niet een eindrijm vormen met een andere versregel (‘Gaatjes zo klein’, ‘Gaatjes zo oud’). We zouden kunnen zeggen dat dit twee ‘gaten’ in het rijmschema van het gedicht zijn.
Het gedicht is metrisch grotendeels gebouwd op de jambe, maar schakelt geregeld over op de dactylus. Dat gebeurt o.a. in de opsommingen van ‘gaten en gaatjes’ in de ingesprongen delen, m.u.v. de eerste keer.

Die ingesprongen delen vormen zo een opvallend element van het gedicht. Ze zorgen er voor dat er ook in dit gedicht ‘gaten’ zitten. Daarmee halen ze het spel van ontbreken naar het gedicht zelf. Een belangrijk aspect daarbij is verwachting. Soms verwachten we ‘gaten en gaatjes’ en maken er dankbaar gebruik van, soms verwachten we ze niet en treffen ze ons onaangenaam. Het gedicht maakt een regelmaat door steeds na 2, 4 of 6 versregels tegen de linker kantlijn met een ingesprongen deel te komen en wekt daarmee een verwachting bij ons lezers. Maar na vier keer, als we er gewend aan zijn, komt er tegen die verwachting in geen ingesprongen deel meer. Het gat ontbreekt. Dit is ook het punt in het gedicht waarin duidelijk wordt dat de situatie onhoudbaar is.

Om het spel met het ontbreken te vervolmaken, besluit het gedicht met ‘En verdween…’.
‘Zebedeus’, maar ook de lezer, gaat “down the rabbit hole”, de wereld van het gedicht in.
___
 


Wit als een wat
Robbert-Jan Henkes
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021414447

 

 

 

 

 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.