Gepubliceerd op: vrijdag 9 maart 2018

EI 87: Dirk Kroon – Strikt

 

En je lichaam,
dat beraad van cellen

en je woorden,
dat stramien van dood,

stelselmatig
roep je mij tot leven.

 
___
Het gedicht begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Toch is het geen grammaticale zin. Dat is de derde strofe op zichzelf beschouwd wel. De eerste en tweede strofe lijken deel uit te maken van een opsomming die bezig was al voordat dit gedicht begon. Wie somt op? De vertelinstantie wordt expliciet met de ‘mij’ aan het einde van het gedicht. De lezer projecteert een “dichter” (die allerminst hoeft samen te vallen met de natuurlijke persoon Dirk Kroon) achter de tekst. Misschien dacht deze “dichter” dat de opsomming al klaar was, had netjes afgesloten met een punt. Moest daarom voor het vervolg een nieuwe zin beginnen, werd een beetje onzeker of de opsomming nu wel volledig was, sloot niet af, maar voegde een volzin toe aan de opsomming die strikt genomen niet bij de opsomming hoorde. Ergens besloot de “dichter” ook dat de opsomming belangrijk genoeg was om op te schrijven. Dat was aan het begin van de opsomming blijkbaar nog niet zo. Of is de hele opsomming opgeschreven, maar is alleen dit fragment gekozen om als gedicht tot ons te komen? Of is het niet de “dichter”, de ‘mij’, die opsomt? Komt de ‘mij’ pas aan het einde ‘tot leven’ en kon ij dus niet eerder beginnen met opschrijven?

Hoe dan ook, het gedicht geeft aan onderdeel te zijn van een groter geheel. Zoals ‘cellen’ een ‘lichaam’ vormen? Dat woord ‘beraad’ in v2 suggereert dat de ‘cellen’ bewust met elkaar overleggen, een soort politieke structuur zoals mensen kennen, en waarbij we ook over een (politiek) ‘lichaam’ spreken. Zo roept de eerste strofe een idee van collectiviteit op. Het aspect van overleg van het ‘beraad’ roept het idee van ‘woorden’ op dat in de volgende strofe aan bod komt.

In die tweede strofe gebeurt in zeker zin het tegenovergestelde van de eerste strofe. Waar het enkelvoud ‘lichaam’ in de eerste strofe geassocieerd werd met het meervoud ‘cellen’ (via het enkelvoud ‘beraad’, maar toch), wordt in de tweede strofe het meervoud ‘woorden’ gelijk gesteld aan het enkelvoud ‘stramien’. Wederom is er sprake van meerdere elementen die samen een groter geheel vormen. Maar waar dat in de eerste strofe organisch en flexibel was, is dat hier een rigide structuur die zelfs leidt tot ‘dood’. De vierde versregel doet denken aan de veelgehoorde klacht dat het opschrijven van ‘woorden’ ze vastleggen en hun levendigheid teniet doen.

In de derde strofe worden de eerste twee strofes met elkaar verzoend. Het systematische (‘stelselmatig’) van het ‘stramien’ leidt wel degelijk tot ‘leven’. Misschien komt dat ook door de betekenis van “voortdurend en opzettelijk” die het woord ‘stelselmatig’ ook heeft.
Het gedicht als geheel is zeker ‘stelselmatig’ in beide betekenissen. De drie strofes hebben heel strak dezelfde vorm: de eerste versregel van iedere strofe is kort, een tweevoetige trocheus. De tweede versregel is ook steeds een regelmatige trocheus, maar iets langer: drie versvoeten. Daarbij is bij de tweede strofe de laatste onbeklemtoonde lettergreep weggevallen: een afkappen dat een stukje levendigheid weghaalt dat prima past bij het idee van ‘dood’.

De indeling van de strofes is dus systematisch, verraadt een opzettelijkheid, wordt bij iedere strofe herhaald. En wordt iedere keer dat een lezer het leest herhaald. Iedere keer brengt het lezen de ‘woorden, dat stramien van dood’ tot ‘leven’. Als de ‘mij’ het gedicht is, is de ‘je’ dan de lezer? Die een ‘lichaam’ heeft in de wereld buiten de tekst dat nodig is om te kunnen lezen, die in het alledaagse gebruik de levendigheid van ‘woorden’ verloren heeft (maar de woorden wel moet kennen, nodig heeft om te lezen)? Een andere lezing is ook mogelijk, met de aangesproken ‘je’ als een dierbaar persoon voor de ‘mij’. Mogelijk een ouder, mogelijk overleden. Ook kunnen we een analogie lezen tussen de ‘cellen’ van een ‘lichaam’ en de ‘woorden’ van een gedicht. Het ‘lichaam’ als metafoor voor een gedicht, of het gedicht als metafoor voor een ‘lichaam’.

De klanken in dit gedicht zijn onnadrukkelijk. De lange ‘aa’-klank verbindt de versregels van de eerste strofe. In de tweede strofe doet de lange ‘oo’-klank iets soortgelijks. De derde strofe heeft zoiets niet. Wel komt de lange ‘a’-klank ook in de tweede en derde strofe voor.
Er zijn ook veel klanken die niet in het gedicht voorkomen. Dat is normaal, maar in dit geval is het opmerkelijk dat de ‘k’-klank niet voorkomt. Alleen in de titel.
‘Strikt’ in de zin van precies is het gedicht zeker, met zijn strenge kortheid en strakke strofe-indeling. Maar ‘strikt’ kan ook een werkwoordsvorm zijn. Wie of wat ‘strikt’ er dan, de ‘je’? Bij het strikken hoort een idee van vangen, dat goed bij het ‘stramien’ past, maar ook een idee van vervlochtenheid dat goed past bij het onderdeel zijn in een groter geheel.

Het gedicht is een uiting van de symbiose van mensen met elkaar en met woorden. En van woorden met elkaar en met mensen.
___
 

Op de hoogte van de vogels
Dirk Kroon
Uitgeverij Liverse
ISBN 9789492519047

 
 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

Jeroen van den Heuvel

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.