Gepubliceerd op: vrijdag 3 november 2017

Recente Poëzierecensies – oktober 2017

 

  •  
  • “De taal is vaak bonkig, weerbarstig en, ondanks de talloze assonanties en het eindrijm, weinig welluidend. Soms lijkt het of de dichter zich tegen een te gemakzuchtige lezing verzet met abstracte formuleringen (‘De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering/ uit de constellatie teruggetrokken’), opzettelijk fout taalgebruik (‘half van de bevolking was een motje’), en beeldspraak waar ik me weinig bij voor kan stellen (‘de losgeschroefde zeeën van de geest’). Elk gedicht is een noot om te kraken, en af en toe heb je een flinke nijptang nodig om bij het zachte vruchtvlees te komen.” Tzum worstelt met Alle gedichten van Hans Verhagen en geeft zich uiteindelijk gewonnen.
  • Frank de Vos is een poëtische laatbloeier, maar sinds zijn debuut tien jaar geleden (hij was toen vijftig) heeft de muze hem niet meer losgelaten. Verdwaalpalen is al zijn zesde bundel. Ook nu weer toont de dichter zich als een buitenbeentje. Hij kiest niet meteen voor uitgepuurde gedichten van weinig woorden, maar integendeel voor ronkende volzinnen: breed gedragen, met heel wat bepalingen en adjectieven. Het doet enigszins denken aan de syntaxis van de klassieke talen. De dichter schuwt bijgevolg de retoriek niet, wat aan zijn poëzie een breedvoerigheid maar ook een bijzondere kleur verleent. Dat wordt ook duidelijk door de wijze waarop de gedichten vervloeien tot proza. De Vos is veel minder bezig met de structuur van afzonderlijke versregels; wat hem interesseert is veeleer de stroom aan woorden, gedachten, indrukken.” Aldus Mappa Libri in een recensie van Verdwaalpalen. Belijdenissen in blauw.
  • Meander recenseert Balans van Leonard Nolens. “Telkens frappeert het weer hoezeer Nolens in staat is concrete feiten en toevallende gebeurtenissen een magische lading mee te geven en ze daardoor op een universeel niveau te brengen. Zo verleent hij ze in al hun op- en neergang een grote mate van herkenbaarheid voor de lezer: de verhouding tot de familie, de schoolperiode, de studiekeuze, het kiezen voor werk, het dichterschap, het reizen door Amerika, de opspelende liefde en de gang naar het levenseinde.”
  • “De natuur is overduidelijk een bron van inspiratie, maar poëzie van het kleine sentiment schrijft Van Tongele bepaald niet. Daarvoor zijn deze gedichten te abstract, te weids van gebaar, te impressionistisch van taal.” Literair Nederland bespreekt De loeiende tier van Mark van Tongele. “Van Tongele’s gedichten vragen niet nadrukkelijk om uitleg of begrip. Je moet er open voor staan – zoals voor abstracte kunst – om ervan te kunnen genieten. Een paar glazen stevige rode wijn op de nuchtere maag kunnen deze gedichten ook best hebben. Evenals hardop voorlezen”.
  • Mappa Libri bespreekt Verdachte omstandigheden: “Zopas verscheen een bundel van de Mexicaanse dichter Luis Felipe Fabre. De bundel oogt in alle opzichten bijzonder eigentijds. Hij bouwt voort op een aantal bekende elementen uit het postmodernisme: de aaneenschakeling van fragmenten, de referenties aan de populaire cultuur, de ironische en soms ronduit theatrale retoriek van het dichterlijke ik, de onverwachte stijlbreuken, de videoclipachtige opbouw van heel wat teksten.
    Tegelijk echter wordt dat spel van de taal niet vrijblijvend gehanteerd maar dient het om een kritische kijk op de werkelijkheid tot stand te brengen. Het besef dat een rechtlijnige kritiek niet meer van deze tijd heeft, noodzaakt de dichter ertoe om allerlei groteske en soms fantastische elementen in zijn teksten te integreren. Ook de opbouw van de bundel is in dit opzicht typeren. In plaats van de gebruikelijke indeling in ernstige cycli wordt de lezer meegenomen in een soort van televisieuitzending, beginnend met een paar trailers (aankondigingen van films-in-wording) en eindigend met een heus ‘reclameblok’.” Vertaling door Merijn Verhulst.
  • “Gedachten en gedichten zijn tekstballonnen die van binnenuit worden opgeblazen, d.w.z. vanuit de agglutinerende levenservaring en de altijd levende taal van de dichter of de denker. De taal is tegelijkertijd de ervaring (de tijd) en de materie die de ervaring fixeert. Denken en dichten zijn nooit taalonafhankelijk, en ook nooit aan de tijd onttrokken.” In een recensie met veel namedropping van literatoren en filosofen prijst Meander Vermoeden van licht van Richard Foqué.
  • De Reactor besluit een recensie over de nieuwste bundel van Piet Gerbrandy met: “De bundel vormt geen goedkoop pamflet maar wil via het poëtische discours de vraag oproepen naar de relatie tussen poëzie en de wereld. Kan poëzie ons denken en handelen veranderen? Willen wij als lezer onze visie op de wereld vormgeven in interactie met poëzie? Of verlangen we toch vooral naar een literatuur die ons laat ontsnappen, een kunstmist die ons verblindt voor de realiteit? Gerbrandy weet wonderwel vragen te poneren zonder het antwoord weg te geven; net als O wordt de lezer zelf een zoekende.
    Het poëtische universum waarin Gerbrandy die vragen evoceert, is verrassend en ingenieus opgebouwd en vormt een genot om in te vertoeven. De interactie tussen de verschillende stemmen, de vermenging van genres en vooral de speelsheid van de woordkeuzes leveren een prikkelende leeservaring op. De lezer ontdekt bij elke lectuur, in elke cirkel, wel iets nieuws, zonder ooit met Steencirkels (of de wereld) klaar te zijn.”
  • Mappa Libri recenseert Vanwaar kom je beeld van Dimitri Casteleyn en karakteriseert de gedichten inhoudelijk zo: “Het zijn gedichten die retorisch een alternatieve wereld oproepen (what if- verbeeldingen) en zo de kwalen van onze samenleving aan de kaak stellen: de hongersnood en de genocides, de economische wantoestanden, de dierenmishandeling en de opwarming van de aarde. Dat gebeurt expliciet maar tegelijk lichtvoetig door de opbouw van het vers, dat telkens uitloopt op een (utopische) erkenning van de ander. Die belangstelling voor het eigentijdse komt ook elders in de bundel meermaals aan bod, maar vrijwel steeds wordt als remedie daartegenover de intimiteit van relaties en de poëzie gesteld (en niet de politieke revolutie, bijvoorbeeld).”
  • “Een bundel die deugt. Althans op onderdelen.” oordeelt Meander over Het leven deugt. Althans op onderdelen van Anton Korteweg.
  • De Volkskrant recenseert Verder en verder, een bundel gedichten van Lev Rubinstein, die vertaald werden door Nina Targan Mouravi. “Zijn lange gedichten zijn opgebouwd uit korte regels, die afzonderlijk op geen enkele manier aan poëzie herinneren. Losse frasen terloops opgepikt uit de conversaties van voorbijgangers. De taal wordt in zijn banaliteit opgezocht en alleengelaten. Die verweesde regels krijgen betekenis door opsomming en contrast, waardoor er een taalwereld ontstaat die soms langzaam herkenbaar wordt, als die van een kind, van een bureaucraat of van een literator. Of ze suggereren een context waarvan slechts de vage contouren voelbaar worden.”
  • Meridianen van de doling kan nog het best omschreven worden als een plaatsbepaling. De dichter tracht zijn eigen identiteit in een snel veranderende wereld bloot te leggen, maar dat blijkt een onmogelijke opgave. De mens is immers een nomade, in zijn omgeving maar ook in zichzelf. Typerend daarvoor is dat ieder gedicht vergezeld gaat van precieze coördinaten die verwijzen naar de plaats waar het tot stand kwam. Ze laten zien hoe de dichter (ook) een reiziger is.
    Tegelijk valt op hoe de plaats waar hij zich concreet bevindt slechts gedeeltelijk het vers stuurt. De dichter neemt de ruimte waar, maar telkens vanop een onbetwiste afstand. In die zin blijft hij zelfs in zijn vertrouwde omgeving in wezen een vreemde. Die vervreemding wordt ook op de lezer overgezet door de vaak onderkoelde toon waarmee de dichter alles registreert.” Mappa Libri bespreekt de bundel van Serge Delaive.
  • “Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
    Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
    Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
    De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom het totaal van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.
    Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.” Dit schrijft Meander over Waar ik jou word.
  • Literair Nederland is vol lof over Nacht & navel van Yannick Dangre. “Dangres gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, zo soepel en vloeiend lopen de zinnen. Geen eindrijm of strak metrum, geen dwingende structuur. Gedichten die zingen en onovertroffen zijn in hun beeldspraak. Elk gedicht wordt gekenmerkt door een vergelijking die je bijblijft, een natuurlijke metafoor die als vanzelf ontstaan lijkt te zijn, alsof de beschrijving in de taal van Dangre de enige manier is om de dingen te zien.”
  • “Het is alweer dertig jaar geleden dat de Bulgaarse dichteres Maja Panajotova voor een verfrissend geluid in onze letteren zorgde. Sindsdien werd het echter stil rond de dichteres. Landschap van een man wil daarin verandering brengen, door een selectie uit haar eerder werk te combineren met een aantal nieuwe gedichten. Het geheel geeft daardoor de kans om kennis te maken met een boeiende, maar nooit echt doorgebroken dichteres.” Dixit Mappa Libri.
  • Meander recenseert de jongste bundel van Nachoem Wijnberg: “Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën.”
  • “Ik constateer vervolgens dat in het gehele oeuvre van Dirk Kroon vooral veel gedichten te vinden zijn waarin de grote thema’s des levens wel worden genoemd maar niet worden ingevuld.” Dat schrijft Tzum over Op de hoogte van de vogels, de verzamelde gedichten van Kroon.
  • Mappa Libri: “‘Un rayon de soleil / perce le toit’ Of, in de vertaling van Jan H. Mysjkin: ‘Een zonnestraal / dringt door het dak’
    Het is een van de kortere gedichten uit de bundel La lucarne ovale uit 1916, vandaag volledig tot onze beschikking in het Nederlands onder de titel Het ovale dakraam. Een gedicht en een aanwijzing, want het inaugureert in de Franse poëzie het begin van de moderne kunst die, met en naast Picasso en Braque in de schilderkunst, ook de literatuur zou veroveren, en waarvan Pierre Reverdy (1889-1960), Guillaume Apollinaire en Max Jacob de vaandeldragers waren. Zij zouden de barrières slechten tussen het poëtische en het niet-poëtische en datgene wat vroeger werd weggelaten, de realiteit, in hun teksten introduceren. ”
  • “De kale observaties van deze werkelijkheid resulteren hier in pure poëzie die in de taal toch nog wat van het moment dat voorbij gaat weet vast te houden.” Meander recenseert De dood en drie andere gedichten van Joris Miedema.
  • De Reactor schrijft over de tweede bundel van Charlotte Van den Broeck. “De beelden die de thematiek van Nachtroer vormgeven, kunnen in twee groepen worden ingedeeld. Enerzijds wordt getoond dat twee temporele polen, begin en einde, altijd samenvallen. Het einde (van de relatie) waarmee de bundel begint, is evengoed het begin van alles: de breuk spoort aan om gedichten te schrijven. Anderzijds krijgen de posities tussen de polen aandacht in Nachtroer. Omdat het lyrisch ik beseft dat geen enkel moment vast te houden is, gaat het op zoek naar een tussenpositie: een plaats tussen twee momenten in.”
  • Engelenspoor staat grotendeels in het teken van de dood en de vergankelijkheid. (…) Jan M. Meier kiest niet voor pathetiek; hij beschrijft bij voorkeur het onopvallende, dat als het ware wordt uitvergroot en de tragiek ingehouden maar tastbaar maakt. Het zijn beklijvende verzen.” Aldus Mappa Libri.
  • Meander: “Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden.” Tzum stelt in een recensie van diezelfde bundel “dat deze dichter de poëzie niet serieuzer neemt dan noodzakelijk is. Het spelen met archaïsche woorden en clichés, met hoogdravend en alledaags taalgebruik, met soepel eindrijm en voorgewende rijmdwang, met strakke metra en teugelloze drafjes, alles op een geheel eigenzinnige wijze, hoort heel specifiek bij de gedichten van Jean Pierre Rawie.”
  • “Echt lastige vragen worden niet hardop gesteld en God blijft gewoon met een hoofdletter geschreven. Een zin als ‘ergens in het midden dobbert de hoop als een eendje’ wordt dan ook niet geschuwd. De gedichten worden al met al niet veel groter dan de gevoelens, de gedachten die eraan ten grondslag liggen. 1+1 wordt hier zogezegd geen 3.” Zo oordeelt Literair Nederland over Wax Hollandais van Abdelkader Benali.
  • Mappa Libri: “Erwin Steyaert debuteert zopas met Alleen van kale reizen kom je thuis (…). Het centrale thema van zijn debuut is de zoektocht naar een ‘thuis’ voor de moderne, ontheemde mens. Het is een tocht die gedreven wordt door heimwee en verlangen, maar die tegelijk empathisch en met een zekere ironische afstand wordt beschreven.”
  • Wiel Kusters en Ingrid Wijk hebben een aantrekkelijke bloemlezing samengesteld uit het werk van Pierre Kemp (1886-1967). (…) De bloemlezers hebben het werk thematisch geordend in tien hoofdstukken”. Zo begint Meander een recensie van Het regent in de trompetten. Ook Tzum bespreekt de bundel en is zeer lovend.

About the Author