Gepubliceerd op: maandag 20 november 2017

Recente Poëzierecensies – november 2017 (1)

 

  •  
  • “Je moet voor Nachtefteling even gaan zitten, maar dan heb je ook wat. En zelfs als je geen zin hebt in close reading (de poëziekritiek zoals die in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de Nederlandse universiteiten werd bedreven) en je meer geneigd bent associatief of impressionistisch te snellezen blijft het drama, met de titel als kroon op het werk, vol aanwezig. Dankzij de humor, het taalspel, de verbazingwekkende, bizarre metaforen en het effectief inzetten van tegenstellingen.” Tzum bespreekt de nieuwste bundel van Martijn Benders. Die was het niet eens met de manier van recenseren en schreef een contrarecensie.
  • “(…) light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre.” Aldus Meander.
  • “Als er één reden is waarom Leonard Nolens (1947) heeft kunnen uitgroeien tot een van de meest geliefde dichters van ons taalgebied, is het zijn vermogen tot identificatie. Ontworteld in Antwerpen, principieel aan de zijlijn van de maatschappij, worstelend met angsten en drankzucht, heeft hij zich ontwikkeld tot welsprekend navelstaarder, waarbij hij juist in zijn dagelijkse afdaling naar de bodem van zijn ziel een stem heeft weten te vinden die verwoordt wat zijn lezers, zijn land en zijn generatie uit de slaap houdt.” Dit schrijft de Reactor in een uiterst kritische recensie over Balans. De Volkskrant is aanmerkelijk positiever over de bundel en concludeert: “Als Nolens iets duidelijk maakt, is het dat ‘dichter’ dan misschien geen fatsoenlijk beroep is, maar wel een manier van leven.”
  • Meander schrijft liefdevol over Stilte heeft het laatste woord, een selectie van gedichten van de enkele jaren geleden overleden Jan Paul Bresser.
  • “Maar wat valt op in de symbiotische relatie van Jo Gisekins gedichten met Raveels vormentaal, en welke vorm neemt het samenleven aan? Hebben zowel de gast als de gastheer voordeel bij die relatie, of is ze vooral gunstig voor een van de symbionten? Of is er sprake van een wisselwerking die vooral de lezer ten goede komt? De bundel bevat naast de gedichten ook een aantal reproducties van Raveels schilderijen en grafiek.” Dit schrijft Meander over Een spiegel op uitkijk.
  • Veel aandacht kreeg de heruitgave van Junkieverdriet tot nu toe niet, maar op Cutting Edge staat een korte bespreking over de bundel van Jotie T’Hooft, waarin zijn poëzie als volgt wordt getypeerd: “Inhoudelijk bewandelt T’Hooft heel bewust het pad van de zwarte romantiek, in de 19e eeuw uitgetekend door literaire reuzen als Shelley, Poe en Baudelaire. Vormelijk zien we een teruggrijpen naar klassieke tekstboekpoëzie: strofebouw, rijmschema’s, alliteraties en personificaties.”
  • Meander is gefascineerd door de Goldbergvariaties van Guido De Bruyn: “De Bruyn probeert ons in zijn dertig variaties alle hoeken en gaten van de taal te laten zien, net zoals Bach in zijn variaties de uiterste mogelijkheden van het contrapunt onderzocht.”
  • “(…) zie de titel Nacht en navel, een toespeling op het lugubere Nacht und Nebel. De navel is het beeld voor de verbinding tussen het innerlijk en de buitenwereld. Iedere navel is anders en daarom moet je weten op welke unieke wijze je die verbinding legt. (Dat is een van de hoogste dingen die literatuur kan doen, maar inzicht betekent natuurlijk geen verlossing. Een goed gedicht verandert je eenzaamheid, zei Nijhoff – een prachtige observatie.) De buitenwereld wordt aangeduid met nacht: de donkere staat waarin die zich bevindt.” Meander recenseert de nieuwe bundel van Yannick Dangre.
  • Literair Nederland bespreekt Binnenplaats van Joost Baars. “De titel van de bundel roept het beeld op van een omsloten plek, als van een gevangenis of een klooster. Maar het is zijn eigen besloten, innerlijke wereld van waaruit de dichter spreekt en waarmee hij zijn gedachten ontsluit voor een toegesproken ‘Jij’. Het enige woord in de hele bundel met een hoofdletter, zo kan de lezer zelf uitmaken of hij zich richt tot de lezer, een geliefde, de dood, tot God of misschien wel tot zichzelf. Ook de dichter zelf schijnt hierover in het onzekere te verkeren: in bijna elk gedicht wordt een vraag gesteld die een nieuw licht werpt op de identiteit van die ‘Jij’ en de mystieke verhouding van de dichter tot deze onbekende.”
  • Meander bespreekt Atlas van de tijd, de debuutbundel van Anneke Wasscher.
  • “Maar Garderobe, kleine zaal gaat verder dan het onderzoek naar de grenzen van het vers. De grenzen van het bestaan worden verkend. Zoals een gedicht kan worden gedefinieerd door de witregels, zo wordt de dichter bepaald door wat er om hem heen gebeurt”. Aldus Meander in een recensie van de jongste bundel van K. Schippers.

About the Author