Gepubliceerd op: maandag 27 november 2017

EI 68: Delphine Lecompte – de hazen zijn bang, de patrijzen zijn panisch

 

Gewoon een titel die goed klinkt
Maar niets betekent
Er zit een man tegenover mij
Hij vertelt graag hoe hij werd mishandeld door nonnen met notenkrakers
In een kostschool ergens in Oost-Vlaanderen, de ergste heette Noëlla.

De lucht is grijzer dan de kin van mijn naakthond
De grond is blauwer dan de deken van mijn lievelingstante
De man tegenover mij stapt af
Er zit nu een kind tegenover mij
Het zwijgt in alle talen over de volwassenen met lookpersen, de ergste is ook nog eens winderig.

Ik stap af, dit is een kuststad met extreem veel juwelenwinkels
Ik koop een zilveren citroenhaai voor mijn zus Zoë
Het is voor rond haar nek
Haar mooie gladde nimfwaardige likkebaardnek
Een kat blaast naar mij omdat mijn laatste dichtbundel een flop was.

De zee is opnieuw geen bittere teleurstelling
Een horlogemaker verdrinkt
Zijn vrouw roept: ‘Oef! Nu kan ik vanavond ongegeneerd een fles martini drinken of twee
En drie kilo chocoladen mosselen soldaat maken terwijl Robert Smith ophitsende kreetjes slaakt.’
Een beiaardier verdrinkt ook, maar hij heeft een vrouw die het zonder roes kan stellen.

De vrouw van de verdronken beiaardier huilt, ik troost haar
Ze is immers mijn nicht
We laten ons overhalen door de vrouw van de verdronken horlogemaker
We drinken veel martini in haar woonkamer maar we maken geen enkele chocoladen mossel soldaat
Ik zeg: ‘De hazen zijn bang, de patrijzen zijn panisch.’ Typische dronkenmanspraat.

 
___
De basis van het verhaal dat in dit gedicht verteld wordt, is eenvoudig genoeg: iemand gaat met het openbaar vervoer op familiebezoek naar een ‘kuststad’.
Er komen opvallend veel dieren in voor. Naast de ‘hazen’ en de ‘patrijzen’ van de titel een ‘naakthond’, ‘kat’, ‘citroenhaai’ en ‘mosselen’. Daarnaast is er een sterke nadruk op de man-vrouw verhouding. De mannen in het gedicht zijn vroeger mishandeld of worden aangeduid met hun beroep en verdrinken, de vrouwen worden als ‘de vrouw van’ aangeduid of als familierelatie (‘-tante’, ‘zus’, ‘nicht’).
Het verhaal wordt verteld in vijf strofen van elk vijf versregels. Iedere strofe omvat meerdere zinnen en zinsdelen, maar alleen de strofe wordt afgesloten met een punt. Zinnen binnen een strofe eindigen niet in de leesteken. De versregels variëren in lengte: steeds is de tweede of derde erg kort, en de laatste of één-na-laatste erg lang.

Wanneer zit er iemand tegenover je? In de trein of tram, in een wachtkamer (bijvoorbeeld van een dokter of specialist), in een restaurant, op bezoek bij iemand thuis. In welk van die situaties is het waarschijnlijk dat ‘een man’ vertelt (‘graag’, zelfs) over mishandeling in zijn jeugd? Hoe openbaarder de gelegenheid, hoe minder waarschijnlijk. Hoe losser de relatie met de gesprekspartner, hoe minder waarschijnlijk. In de tweede strofe ‘stapt’ ‘de man tegenover mij’ ‘af’. Als dit over dezelfde man gaat, betreft het blijkbaar het openbaar vervoer, waarbij de aanduiding een/de ‘man’ niet duidt op een sterke band met de ‘ik’. Een willekeurige man die in het openbaar vervoer aan wildvreemden vertelt over ‘hoe hij werd mishandeld’? Of is de situatie in de eerste strofe een andere, een herinnering, opgeroepen door ‘de man tegenover mij’ in het openbaar vervoer? De ‘ik’ projecteert een vergelijkbaar verhaal daarna op ‘het kind’ dat ‘nu’ ‘tegenover mij’ zit.
De eerste twee versregels van de tweede strofe bevatten twee vergelijkingen in de beschrijving van de omgeving, waaruit duidelijk wordt dat de ‘ik’ alles op de eigen belevingswereld betrekt. Iets dergelijks zien we ook aan het einde van de derde strofe. ‘Een kat blaast naar mij’, dat kan natuurlijk, maar om dat te verklaren met ‘omdat mijn laatste dichtbundel een flop was’? Blijkbaar zit de ‘ik’ er zelf mee dat ‘mijn laatste dichtbundel’ het niet goed heeft gedaan, maar ‘een kat’ heeft daar natuurlijk geen weet van, laat staan dat het een reden is voor de kat om de ‘ik’ onaardig te bejegenen. Veel waarschijnlijker is het dat de ‘ik’ ‘mijn naakthond’ heeft meegenomen en dat de kat daarnaar blaast.

Het is opvallend hoe het gedicht omgaat met causaliteit en verbanden tussen beweringen en situaties. Causaliteit wordt maar in enkele gevallen expliciet aangegeven. zoals in het geval met ‘een kat’ hierboven, maar bijvoorbeeld ook in de laatste strofe met ‘Ze is immers mijn nicht’.
In andere gevallen is het verband minder duidelijk. De vierde strofe zegt bijvoorbeeld: ‘De zee is wederom geen bittere teleurstelling / Een horlogemaker verdrinkt’. Is die tweede versregel bedoeld als verklaring waarom ‘de zee (…) geen bittere teleurstelling’ is? Stelt de zee niet teleur omdat ze mensen doodt? Of omdat ze de mensen doodt van wie je het zou verwachten, of waarvan de ‘ik’ dat graag wil?
In hoeverre zijn de situties en personages in dit gedicht verbonden? ‘De vrouw van de verdronken beiaardier’ blijkt ‘mijn nicht’ te zijn. Waarom dan eerst dat afstandelijke alsof het om een onbekende gaat? Of trekt ook hier de ‘ik’ gebeurtenissen en personen de eigen belevingswereld binnen, in dit geval de eigen familie? Is de ‘lievelingstante’ uit de tweede strofe de moeder van ‘mijn nicht’? Is ‘de vrouw van de verdronken horlogemaker’ een onbekende? Zou die de ‘ik’ en ‘mijn nicht’ overhalen om bij haar thuis te komen drinken? Is het ‘mijn zus Zoë’? Het roept ook weer de vraag op in hoeverre ‘de man’ in de eerste strofe een onbekende was.

Verbanden worden ook weergegevn door opeenvolging in de tijd. ‘De man tegenover mij stapt af / Er zit nu een kind tegenover mij’: de man verlaat de openvervoer gelegenheid en daardoor komt de plek ‘tegenover mij’ weer vrij en gaat iemand anders daar zitten.
De tijd speelt een opvallende rol in het gedicht. Niet voor niets noemt het een ‘horlogemaker’ en een ‘beiaardier’, twee beroepen die we associëren met het aanduiden van de tijd. Beide verdrinken. De tijd wordt niet duidelijk aangeduid in dit gedicht. Alleen ‘mijn laatste dichtbundel’ en de mishandeling van de man in de eerste strofe staan expliciet in de verleden tijd. De rest van het gedicht wordt verteld in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat alles dezelfde dag gebeurt. Dat de ‘horlogemaker’ en de ‘beiaardier’ beide op dezelfde dag verdrinken, is al niet waarschijnlijk (het zijn geen beroepen waarvoor ze de zee op moeten). ‘De vrouw van de verdronken hologemaker’ heeft het in strofe vier over ‘martini’, ‘chocoladen mosselen’, en ‘ophitsende kreetjes’. In de vijfde strofe gaat het wel over ‘martini’, maar rept met geen woord over ‘ophitsende kreetjes’ en de strofe zegt expliciet ‘maar we maken geen enkele chocoladen mossel soldaat’. Het lijkt dus niet over dezelfde avond te gaan als die in strofe vier.
Ook een woord als ‘opnieuw’ aan het begin van de vierde strofe speelt hierin mee. De ‘ik’ is hier vaker geweest (niet zo gek, er woont familie) en blijkbaar komen er weer herinneringen boven die de ‘ik’ in het nu herbeleeft.

Dit gedicht is ondanks een sterke fragmentatie en een zekere kille afstandelijkheid toch heel coherent. Dat komt omdat veel delen van het gedicht verbanden met elkaar aangaan door herhaling van woorden en parallelle zinsconstructies. De eerste twee versregels van de tweede strofe lopen volledig parallel. De zin uit de eerste strofe ‘Er zit een man tegenover mij’ vindt zijn parallel in de tweede strofe met ‘Er zit nu een kind tegenover mij’. De beschrijving van de mishandeling van de man in de eerste strofe verloopt analoog aan de beschrijving van de vermeende aversie van ‘het kind’ in de tweede strofe: ‘vertelt graag’ wordt ‘zwijgt in alle talen’, ‘nonnen met notenkrakers’ wordt ‘volwassenen met lookpersen’ en beide beschrijvingen eindigen met ‘, de ergste (…)’. Later in het gedicht wordt het verdrinken herhaald, evenals de ‘martini’ en de ‘chocoladen mosselen’.
Deze manier van dichten wordt eigenlijk al in de titel aangekondigd. ‘De hazen zijn bang’ verloopt parallel aan ‘de patrijzen zijn panisch’. Zelfde opbouw: ‘De (zelfstandig naamwoord meervoud) zijn (bijvoeglijk naamwoord)’. De eerste is een gezegde, een cliché. De tweede heeft in beide variabele elementen van de zin een lettergreep meer. Bovendien berust de tweede bewering niet op cliché, maar op klankovereenkomst, alliteratie in dit geval. Ook is de tweede bewering sterker: ‘panisch’ wijst op blinde paniek, een graadje erger dan gewoon ‘bang’. We zouden deze titel dan ook programmatisch kunnen opvatten: wat de dichter doet, is een overtrokken analogie van de clichématige werkelijkheid in een talige vorm gieten.

Het gedicht opent met de mededeling dat deze titel geen betekenis heeft. Aan het einde komt toch een situatie voor waarin de titel uitgesproken wordt. Is het hele gedicht een zoektocht geweest naar een context om de titel in te gebruiken? Maar dan nog is het ‘typische dronkenmanspraat’. Niet echt iets zinnigs, dus. De bewering lijkt er een beetje bijgesleept. Hij gaat niet over de ‘kuststad’, niet over de familie, niet over de verdronken mannen. Veelzeggend is ook dat het de ‘ik’ is die deze woorden ‘zegt’. De ‘ik’ is een dichter getuige ‘mijn laatste bundel’. De titel lijkt een inspiratie te zijn voor het gedicht. Dat betreft vooral de parallelle vorm. Misschien hoort daar ook wel bij -om de coherentie in het gedicht te vervolmaken en het een afronding in zichzelf te geven- om zowel aan het begin als aan het einde van het gedicht het expliciet over de titel te hebben.
Die klinkt inderdaad goed, en betekent eerder op een structurerende dan semantische manier.
___
 

Western
Delphine Lecompte
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789023463139

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.