Gepubliceerd op: maandag 16 oktober 2017

EI 63: Jean Pierre Rawie – Boven het gras

 

Soms is het of ik al onzichtbaar ben.
In vrouwenlevens was ik maar een fase
die men vergeet. Ik staar. De spiegelglazen
kaatsen een man weer die ik niet herken.

Waar zijn de vrienden die de wrochtsels lazen
die ik nog steeds ontworstel aan mijn pen?
Verdwenen zijn mijn tijdgenoten, en
dat ik nog leef, stemt mij zelfs tot verbazen.

De jaren zijn mij ondershands ontkomen.
Als ik ‘in de rivier een steen verleg’,
weet ik dat zij niet anders zal gaan stromen.

Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg.
Ik luister naar het ruisen van de bomen
boven het gras. Ik ben al bijna weg.

 

___
‘Boven het gras’ is een mooie, dubbelzinnige titel. De titel lijkt ontleend aan de laatste regels: ‘Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras.’ De aanduiding ‘boven het gras’, die hier extra nadruk krijgt doordat zij enjamberend wordt toegevoegd, is echter nogal overbodig. Het zou pas echt bijzonder zijn wanneer de bomen onder het gras ruisten. ‘Boven het gras’ is hier synoniem aan ‘boven de grond’, zoals in ‘de kist staat nog boven de grond’, hetgeen gezegd wordt wanneer iemand overleden is maar nog niet begraven. Kortom: de toon is direct al gezet.

Binnen de hedendaagse poëzie is Jean Pierre Rawie met zijn vormvaste gedichten een opmerkelijke verschijning. ‘De perfectie waarmee hij zijn regels op maat snijdt, met nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt, dwingt bewondering af.’ (Trouw over de vorige bundel van Rawie, hier geciteerd op de website van zijn uitgever Prometheus). Recent schreef Arjan Peters in de Volkskrant over Rawie: ‘zijn thematiek is clichématig (…) en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’ Daar valt echter nogal wat op af te dingen in zijn laatste bundel, zeker in het onderhavige gedicht.
Het gedicht is geschreven als een klassiek sonnet. De jambische pentameters lopen echter niet zo in de pas als we van Rawie gewend zijn. Bij maar liefst zes van de veertien regels valt de klemtoon op de eerste lettergreep (1, 4, 5, 8, 11, 14). Iets te vaak om nog van antimetrie te kunnen spreken, al is de klemtoon op het eerste woord van het sonnet ronduit krachtig. Maar waarom die vreemde constructie in regel 4? Bij de voor de hand liggende formulering ‘weerkaatsen een man die ik niet herken’ zou de klemtoon nog netjes op de tweede lettergreep vallen. Of zou de auteur regelmaat betracht hebben door alle eerste en laatste regels van de kwatrijnen én de laatste regels van de terzetten uit de pas te laten lopen?
Verder treffen we in dit gedicht toch een aantal ‘lussen of knoopjes’ aan. Het neologisme ‘spiegelglazen’ (spiegels, spiegelende ruiten) voegt weinig toe, en lijkt een constructie om te kunnen rijmen. Het enjambement aan het eind van regel 7 is ronduit lelijk, zeker het gebruik van het losse woordje ‘en’ als rijmklank. Het ‘ondershands’ in regel 9 heeft veel weg van een stoplap. En het eerste ‘of’ in regel 12 is ook een lusje omwille van het metrum.

Is ‘Boven het gras’ dan een slecht gedicht, een misbaksel? Zeker niet! Er valt genoeg te beleven. Het binnenrijm wrochtsels/ontworstel, woorden die in hun klank alleen al de wanhoop doen voelen. Ook veel klankrijkdom in de laatste regels: luister/ruisen en het allitererende bomen/boven. Daarnaast lichte echo’s, die door hun plaats in de regel als binnenrijm werken, zoals steeds/leef (regel 6/8) en ondershands/anders zal (regel 9/11).
‘Ik staar’ is dubbelzinnig in al zijn eenvoud. Letterlijk geeft het het nietsdoen aan, en het staren naar zijn vreemd geworden spiegelbeeld. Maar het kan ook verwijzen naar ‘staar’ als vertroebeling van de ooglens, een veelvoorkomende oogaandoening bij het ouder worden. Met de laatste vijf woorden wordt de cirkel van het gedicht mooi gesloten. ‘Ik ben al bijna weg’ is een parafrase van ‘Soms is het of ik al onzichtbaar ben’. Alles wat tussen deze twee zinnen staat is een uitwerking van die gedachte.
Het gedicht behandelt een thema dat Rawie wel is toevertrouwd: de vergankelijkheid van de mens, de zinloosheid van zijn bestaan. Verrassend is het citaat in regel 10: ‘in de rivier een steen verleg’. In zijn hoge poëzie verwijst de dichter naar het lied De steen van chansonnier Bram Vermeulen:

Ik heb een steen verlegd
in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg kan gaan.

De dichter zet zich af tegen de zanger. Met de regel ‘Het haalt niet uit wat of ik doe of zeg’ twijfelt hij zelfs aan de kern van zijn bestaan, de houdbaarheid van zijn literaire nalatenschap. In zijn jongere werk, met name Onmogelijk geluk (1992) en Woelig stof (1998) leek hij er nog wel in te geloven dat hij met zijn poëzie een onvergetelijk monument kon oprichten. In het hier besproken gedicht neemt hij echter expliciet afstand van die gedachte. Het leven is vergankelijk, en daarmee zinloos. Dit stilstaan bij de vergankelijkheid is gaandeweg de kern van het oeuvre van Rawie gaan vormen. In ‘Boven het gras’ heeft hij dit opnieuw, op buitengewoon krachtige wijze, verwoord.
___
 

Handschrift
Jean Pierre Rawie
Uitgeverij Prometheus
ISBN 9789044635102

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Eric van Loo is dichter, recensent voor Meander en redacteur van klassiekegedichten.net.