Gepubliceerd op: vrijdag 13 oktober 2017

EI 62: Gerry van der Linden – Verse helden vertellen verhalen

 

Verse helden vertellen verhalen
grote gebaren en kleine nuances

af en toe vul ik het glas, daar
zorg ik voor, zoek mijn jas.

Het lawaaiige huis wacht, het waait
mij tegemoet

als de wind van voren komt
als de wind draait en vrienden

van vroeger
stil

van de verloren avond
op mij wachten.

 

___
Dat openingsvers, dat is qua klank zo fascinerend. Het heeft louter korte e-klanken als klinkers, uitgezonderd een langgerekte a-klank tegen het einde. Drie keer ‘ver-‘, en een ‘hel-‘/’-tel-‘ binnenrijm. De langgerekte a-klank verbindt de eerste versregel met de ‘gebaren’ in de tweede. Met die langgerekte a-klank begint het verhaal pas echt.

Gaat het in de eerste strofe over ‘helden’, ‘gebaren’ en ‘nuances’ (alles meervoud), in de tweede strofe gaat het over ‘ik’, ‘glas’ en ‘jas’. Elke strofe is een op zichzelf staande volzin. Toch worden de twee strofes als één zin gepresenteerd in het gedicht. De eerste strofe begint met een hoofdletter, maar er komt geen afsluitend leesteken tot de punt aan het einde van de tweede strofe.

Op dezelfde manier horen ook de vier volgende strofes bij elkaar. Dit tweede deel van het gedicht wordt gekenmerkt door het werkwoord ‘wachten’ (in v5 en v12) en een passieve rol van de ‘ik’. De ‘ik’ komt in de eerste strofe niet voor, hooguit impliciet, in de tweede strofe is de ‘ik’ het onderwerp van de zin, maar in het grootste tweede deel van het gedicht komt alleen ‘mij’ voor.

In de vijfde versregel, aan het begin van het tweedde deel, gebeurt iets moois. Het ‘lawaaiige huis wacht’. Daar zit een alliteratie in, er spreekt een tegenstelling uit het wachten dat associaties heeft met iets stils en geduldigs, terwijl dat ‘lawaaiige’ juist wijst naar rumoer en drukte. Tegelijk spreekt er een weerstand uit om naar dat ‘lawaaiige huis’ te gaan. Dat voelt voor de ‘ik’ blijkbaar als een verplichting. Maar het mooie is dat het ‘-waai-‘ deel zich uit het ‘lawaaiige’ losmaakt, het wordt een werkwoord om mee verder te gaan: ‘het waait’. En dat ‘het’ slaat tegelijk op het ‘huis’ (dat ‘mij tegemoet’ waait – de ‘ik’ ervaart zichzelf als passief, het huis komt vanzelf op de ‘ik’ af. Voor ij het weet, is ij bij het ‘huis’) als op een algemeen, onpersoonlijk ‘het’ zoals we vaker gebruiken bij beschrijvingen van het weer (“het regent”).

En als ‘het waait’, dan is er blijkbaar ook ‘wind’. Dat wordt in de vierde strofe uitgebuit. De wind kun je ‘van voren’ krijgen, dus kritiek en weerstand, maar de wind kan ook draaien. Dan veranderen omstandigheden, ten goede of ten kwade. Aangezien de wind eerst ‘van voren komt’, zal de verandering hier ten goede zijn. Deze wind leidt ons naar ‘vrienden van vroeger’. Dat lijkt een contrast met de ‘verse helden’ aan het begin. Dat ‘verse’ zeggen we bijvoorbeeld over groente en fruit. Het duidt op iets nieuws. We zouden kunnen zeggen dat ‘als de wind draait’ in de vierde strofe, de aandacht van het nieuwe (‘verse helden’) en het toekomstige (dat ‘tegemoet’ ‘waait’) verschuift naar het verleden (‘vroeger’). De ‘avond’ blijkt vanuit dit perspectief voorbij en ‘verloren’.

In die korte vijfde strofe komt nog een andere tegenstelling naar voren, namelijk die tussen ‘stil’ en het ‘lawaaiige huis’. Is de ‘ik’ toch niet in het ‘lawaaiige huis’ beland? Of wel en zijn alleen de ‘vrienden van vroeger’ daar ‘stil’? Of is het een herinnering aan ‘vroeger’, toen het daar nog ‘stil’ was?

Welk verhaal wordt eigenlijk verteld in dit gedicht? In de eerste twee strofes is de ‘ik’ ergens waar ‘verse helden’ ‘verhalen’ ‘vertellen’. De ‘ik’ heeft daar een dienende functie (ij vult ‘het glas’). We kunnen speculeren over wat voor gelegenheid dit precies is, maar we komen er feitelijk weinig over te weten. Het kan een literaire avond zijn, maar net zo makkelijk een ‘avond’ (v11) met lezingen over welk onderwerp dan ook, of een vluchtelingenopvang. Het kan ook zijn dat de ‘ik’ zit te lezen of film kijkt o.i.d. Als de ‘ik’ ‘mijn jas’ zoekt (blijkbaar om naar ‘het lawaaiige huis’ te gaan), komt ij buiten in de ‘wind’ terecht. Daardoor denkt of gaat ij naar ‘vrienden van vroeger’. Wie weet is ‘het lawaaiige huis’ wel een kroeg waar de ‘ik’ heeft afgesproken met oude vrienden. Wie weet is het wel het thuis van de ‘ik’ en denkt ij eraan hoe het ‘vroeger’ was.

Het verhaal van dit gedicht gaat – zo wordt meteen in het openingsvers duidelijk – over ‘verhalen’. Gecombineerd met de manier waarop het middelste deel van het gedicht uit de taal zelf ontstaat, rechtvaardigt dat een interpretatie waarbij het gedicht over dichters en gedichten gaat. Nieuwe dichters en gedichten (‘verse helden’) versus dichters en gedichten die de ‘ik’ al lang kent (‘vrienden van vroeger’). De plaatsen en verplaatsingen in het gedicht moeten we dan misschien niet per se letterlijk nemen.

Maar waarom is de avond ‘verloren’? Vielen de ‘verse helden’ tegen en keert de ‘ik’ daarom terug naar de ‘vrienden van vroeger’? De wind die eerst ‘van voren komt’ en daarna ‘draait’, lijkt wel zoiets te suggereren.

Dat woordje ‘stil’ staat daar zo alleen, zo meditatief op de tiende versregel. Een moment van bezinning, waarna de avond ‘verloren’ blijkt.
Behalve misschien dat er uiteindelijk een mooi gedicht van gekomen is.
___
 

Verse helden
Gerry van der Linden
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
ISBN 9789046822579

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.