Gepubliceerd op: maandag 25 september 2017

EI 61: Aletta Beaujon – Ochtend

 

In de verse ochtend
zijn de blaren vochtig nog
al heeft het gister niet geregend
de dieren druilen
beslagen behaarde domme neuzen
snuiven de groene morgen
droevig in
en de hele lucht is wakker
boven de akkers
van mijn vader

 

___
Er zijn gedichten waarbij je het gevoel krijgt: “het klopt”, nog voordat je hebt nagedacht over wat het zou kunnen betekenen. Dit is zo’n gedicht. De klanken rijgen de woorden en versregels aan elkaar. De meeste van de klanken doen onnadrukkelijk hun werk. Zo komen de ‘v’ van ‘verse’ en de ‘och’-klank van ‘ochtend’ in de eerste versregel samen als ‘vochtig’ in de tweede versregel. Metrisch verloopt die tweede versregel analoog aan de eerste, maar voegt een extra beklemtoonde lettergreep toe, die bovendien de ‘och’/’og’-klank herhaalt. Hierdoor krijgt het toch niet zo aanzienlijke woordje ‘nog’ een bijzondere positie. Het staat er om aan te geven dat de ‘blaren’ niet ‘vochtig’ zullen blijven. Maar door de herhaling van de ‘och’/’og’-klank, wordt hier ook de betekenis van “nog een” opgeroepen.

De derde versregel speelt met de afwisseling van ‘g’ en ‘r’ (‘gister’ ‘geregend’). Bovendien is dat ‘gister’ een verkorting omwille van het metrum van “gisteren”, zoals de versregel ervoor dat geldt voor ‘blaren’ / “bladeren”.
Het woord ‘druilen’ is in ongebruik geraakt. We zeggen nog wel van het weer dat “het druilerig is”. Zo blijkt de regen -die er dus niet is geweest- toch weer dichtbij. In de werkwoordsvorm gebruiken we het woord tegenwoordig eigenlijk niet meer. Hier lijkt het in zijn oorsrpronkelijke betekenis van “suffen”, nog halfslaperig zijn, gebruikt te worden. Dat slome komt tot uiting in de volgende versregel, die het zelfstandig naamwoord waarover het iets wil zeggen uitstelt door er drie bijvoeglijke naamwoorden voor te zetten. Wederom met grote klankovereenkomst. De ‘dieren’ worden metonymisch gereduceerd tot ‘neuzen’. Ze zijn ‘beslagen’, dus blijkbaar gaat het over vee en niet in het wild levende dieren. Tegen het einde van het gedicht blijken we inderdaad op ‘akkers’, een boerderijsituatie, te zijn. De dieren zijn bovendien ‘behaard’ en ‘dom’. Is het de bedoeling hier het dier met de mens te contrasteren?

De keuze voor ‘neuzen’ als metonymische aanduiding blijkt niet toevallig, want het gaat om wat de ‘neuzen’ doen, te weten ‘snuiven’. Ze ‘snuiven’ ‘de groene morgen’. Het noemen van een kleur krijgt hier bijna het karakter van een synesthesie. Voor ‘snuiven’ is geur belangrijk en maakt de kleur niet uit, zou je zeggen. De kleur ‘groen’ legt hier een verband terug naar de eerder genoemde ‘blaren’. Tegelijk geeft het een nog onvolgroeid en onervaren zijn aan. De ‘ochtend’ is immers pas het begin.

De ‘dieren’ lijken de lamlendige, vochtige ochtend op te ‘snuiven’, want die is als bij toverslag verdwenen als het gedicht het klinkende rijm ‘wakker’/’akkers’ gebruikt. Of misschien al daarvoor als de ‘hele lucht’ genoemd wordt. Het gedicht suggeert dat dankzij het ‘snuiven’ ‘de hele lucht’ ‘wakker’ is geworden. We hebben dus wel wat te danken aan die ‘domme neuzen’.

De formulering ‘de akkers’ ‘van mijn vader’ aan het einde van het gedicht, doet vermoeden dat de vertelinstantie van het gedicht een jeugdig persoon is. Dat past ook wel bij het thema van het gedicht: de overgang van ‘ochtend’ naar ‘dag’. Van kind naar jongvolwassene. Tegelijk kunnen we het ‘wakker’ ook opvatten als een spiritueel ontwaken. De ‘vader’ kunnen we zien als God-de-vader, en de regen die er in het gedicht bijna is (geweest) als Gods water over Gods ‘akkers’.

Hoe je er ook tegenaan kijkt, voor mij blijft het mooiste hoe dit gedicht met klanken en ritme de transitie die zich aan het begin van een nieuwe dag voltrekt weet vorm te geven. Nee, sterker: tastbaar maakt.
___
 

De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue
Aletta Beaujon
Uitgeverij In de Knipscheer
ISBN 9789062656462

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.