Gepubliceerd op: vrijdag 30 juni 2017

Recente Poëzierecensies – juni 2017 (2)

 

  •  
  • “Met het tweetalige Het vaderpaard / it faderpaard heeft Tsjêbbe Hettinga (1949 – 2013) het monument gekregen dat hij verdient. Alle bundels, het verspreid gepubliceerde en het ongepubliceerde werk zijn hierin bijeen gebracht, met uitzondering van de gedichten die hij samen met anderen heeft geschreven. Daarnaast hebben de bezorgers en vertalers een verantwoording opgenomen, de gedichten van aantekeningen voorzien en vindplaatsen van de gedichten opgenomen. Ook bevat de bundel een biografische schets en uiteraard een inhoudsopgave. Daarmee is deze uitgave ook van zeer grote waarde voor nader wetenschappelijk onderzoek. En, last but not least, het boek is prachtig vormgegeven.” Aldus een lovende Meander.
  • “Van alle hedendaagse dichters lijkt Thomas Möhlmann (1975) bovenal een ‘mededichter’. Waar zijn verzen al niet rechtstreeks gekoppeld zijn aan de poëzie van tijdgenoten, suggereert hij nu en dan hartelijke verwantschap.” De NRC bespreekt Ik was een hond.
  • Meander: “In de gedichten en beschouwingen die afzonderlijke en autonome delen zijn, vind je telkens verwijzingen naar gedichten of beschouwingen die je al gelezen hebt of nog lezen gaat. De bundel Wildcamera is een complete en vrij complexe handleiding, niet alleen tot het lezen van de poëzie van Martin Reints, maar tot het lezen van kunst in het algemeen.” De Groene lijkt het hier helemaal mee eens te zijn en voegt toe: “In geen ander oeuvre wordt zo veel gemijmerd en gelummeld als in dat van Reints, maar de gedichten zelf zijn wonderen van exactheid. Deze poëzie is het levende bewijs voor de zin, misschien zelfs het nut, van rondhangen in ontvankelijkheid.”
  • “Elke regel is een aparte notitie naar aanleiding van een droom. Dit weet ik dankzij de inleiding. Nauta gaat zelfs verder: sommige notities ontstonden naar aanleiding van een ‘nachtmerrie’. De vraag is of ik zonder die inleiding dat ook zo zou begrepen hebben? In ieder geval lees ik in elk gedicht zeven verschillende, soms laconieke notities die zonder verband lijken met elkaar. Vreemd genoeg, kon ik het niet laten om vruchteloos op zoek naar een mogelijk verband te gaan. Waarmee ik natuurlijk op raadsels uitkwam. En op een soort vervreemding, die eerder komisch dan tragisch uitviel. Daarom vind ik het niet echt noodzakelijk om te weten dat de notities ‘droomverslagen’ inhouden. De soms hilarische nachtmerries van de vervreemding komen toch zo op je af als je de gedichten leest.
    De stilistische kracht van deze bundel ligt dan ook in de manier waarop Nauta die zinnen tactisch en meticuleus bij elkaar plaatst: een kwestie van scherp geslepen juxtapositie. Interessant vind ik de dynamiek die daarbij op twee fronten ontstaat.”
    De Schaal van Digther bespreekt Bokalen van Nanne Nauta.
  • Meander bespreekt de gedichten van Willem Kloos. “De bundeling van Kloos’ gedichten is behoudens enkele aanpassingen analoog aan de eerste uitgave van de Verzen in 1894 van Versluys in Amsterdam. Deze uitgave is grofweg opgebouwd uit (1) een afdeling gedichten, hoofdzakelijk sonnetten en enkele sensitivistische liedjes over de dood, (2) een tweetal dramatische fragmenten en een episch fragment op rijm en (3) een afdeling gedichten, veelal scheldsonnetten.”
  • Meervoudig afwezig mag de roekeloze groei van taal dan wel benoemen, maar van woekering is in deze poëzie nauwelijks sprake. Perquin schrijft eerder gestileerd en gedoseerd dan associatief en oeverloos, waardoor haar werk nooit zo ongrijpbaar wordt als de dichter het bestaan lijkt op te vatten. Meervoudig afwezig biedt dan ook geen overweldigende leeservaring waarin de lezer achter elke letter het heelal wil blijven ontdekken. Wat blijft hangen, zijn vooral Perquins aforistische vondsten en scherp herkenbare observaties.” Aldus DW B over de jongste bundel van Ester Naomi Perquin.
  • “Bij Langelaar geldt nadrukkelijk: vorm = inhoud.” beweert Meander in een recensie over Vonkt van Marije Langelaar.
  • Naar aanleiding van Zingend naar huis, een bundel met oude en nieuwe gedichten karakteriseert Literair Nederland de poëzie van R.A. Basart: “Basart brengt lichte spot en dito melancholie samen in klein aandoende gedichten die stiekem wel grote thema’s behandelen. Het resultaat is een typisch soort moderne Nederlandse Romantiek: al te wilde emotionele uitspattingen beteugeld met milde ironie en meewarigheid.”
    Ook De Reactor bespreekt de bundel uitgebreid: “vele verzen in dit boek spreken over dood, ouderdom en ziekte. Ze doen dat niet op een klagende of pathetische toon en evenmin op een ironische of luchthartige manier. Net als De verzoening heeft deze bundel een volstrekt eigen toon, die het gewone en het huiselijke combineert met het ongewone en het lugubere. Misschien is unheimlich een goede omschrijving van die merkwaardige sfeer. Grotesk zou je ook kunnen zeggen.”
  • “Geachte mijnheer Hamel, u bent een begenadigd dichter en dan is het natuurlijk absurd om te gaan melden dat u daarmee ophoudt. Stop liever met die onzinnige aankondigingen. U las een boek en dacht dat kan een robot beter schrijft u in het gedicht ‘Lees mij’. U suggereert dat dat gedicht is geschreven door een robot, maar wij trappen daar niet in. Sommige boeken worden wellicht beter geschreven door robots maar die overtreft u dan weer door iets toe te voegen dat in geen algoritme is te programmeren: het onwezenlijke, het onverwachte, het ongerijmde.” De recensie over Toen het moest op Meander heeft de vorm gekregen van een open brief aan dichter Micha Hamel.
  • “Intussen hebben we de aarde kapotgemaakt en dringt techniek in die mate onze levens binnen dat je je kunt afvragen in hoeverre de mens nog een natuurlijk wezen is. Impliceert dit dat ook de poëzie niet meer organisch kan, of zelfs mag zijn? Is het ritme van voetstap, hartslag en ademhaling voortaan taboe? Zelfs als dat niet het geval is, zal de poëzie, die traditioneel drijft op beelden die aan de natuur zijn ontleend, haar positie moeten bepalen tegenover de nieuwe werkelijkheid, die een maaksel is. Dat is wat Maartje Smits (1986) probeert te doen in haar tweede bundel, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer.
    Het boek is in vele opzichten hybride. Tekst wordt afgewisseld met foto’s, de vorm van de gedichten is onvoorspelbaar, het onderscheid tussen dichtregels en onderschriften bij afbeeldingen is fluïde en een van de reeksen gedichten wordt gepresenteerd als een beleidsdocument dat digitaal is becommentarieerd. Niets spreekt vanzelf. Vandaar wellicht dat ook de taal geen normaal Nederlands meer kan zijn, maar op diverse plaatsen geïnfiltreerd lijkt door Duits en Engels” zegt De Groene. Ook Klecks bespreekt de bundel die deze maand volop in de belangstelling staat: “Dat voor de laatste mens ‘de natuur’ in principe elk ander wezen is, bijna de gehele verdere wereld, mag tekenend heten. De natuur is immens in elke zin van het woord. Het is teveel om te benoemen. We kunnen de natuur alleen negatief definiëren: als het onmenselijke. Het is alsof de mens een laatste barrière opgooit, in de vorm van zijn eigen aanwezigheid, om maar niet ook tot de natuur gerekend te worden.”
    Trouw denkt langs een vergelijkbare lijn: “Met opgewekte, geladen gedichten, met hier en daar wat smakelijk Duits en swingend Engels, weet Smits de lezer aan het twijfelen te brengen. Hem te laten nadenken over de vraag ‘hoe had ik me ooit van planten / durven onderscheiden’. Want hoe graag die zich ook boven de natuur ziet staan, hij is daar net zo goed onderdeel van.”
  • “Inhoudelijk gaat het in sterke mate over wat een gedachte, een woord, bij de lezer of luisteraar teweeg kan brengen, namelijk het oproepen van andere woorden, die op hun beurt weer andere woorden naar boven halen: ‘ieder beeld / leidt tot nieuwe // opgeroepen beelden, / één woord wordt al een waterval (…)’.
    Voorwaarde is wel dat men zich openstelt, een ‘soort van antenne’ wil en durft te zijn. Dit laatste is waar de dichter ons meer bewust van maakt en alleen daarom is deze bundel het uitgeven al waard: hij schudt ons wakker.
    Genoemde aanmoediging wordt in soepele, niet opdringerige maar wel indringende beelden overgebracht. Hoofd en hart in evenwicht. Weliswaar kan het obsessief (?) gebruik van enjambement storen, maar voor het overige is het poëzie van hoog niveau.” Aldus Meander over Nicola – een soort van antenne van Ruben van Gogh.

About the Author