Gepubliceerd op: maandag 15 mei 2017

EI43: Alexis de Roode – Maandagavond

 

Vandaag was ik stiekem jarig.
Typend werd ik een man van middelbare leeftijd
die persberichten verstuurde.
Niemand feliciteerde mij.
Ik vond het prettig een geheim te hebben
en wachtte extra lang tot ik,
als laatste van kantoor,
het lege pand verliet.

___

Jarig zijn we allemaal één keer per jaar. Sommigen vinden dat geweldig, nodigen familie en vrienden uit, nemen “iets lekkers” mee naar school of werk om uit te delen, vieren het uitgebreid. Anderen vieren het bescheiden. Weer anderen vieren het niet. In dit gedicht hebben we te maken met iemand die zijn (het is een ‘man van middelbare leeftijd’) verjaardag niet viert, maar het wel iets bijzonders vindt.
Naast het feestelijke aspect zit er aan ‘jarig’ zijn een tijdsaspect. De ‘leeftijd’ van een persoon gaat omhoog. Een ‘leeftijd’ is een getal waarmee we de tijdsduur uitdrukken vanaf iemands geboorte tot nu.
Het tijdsaspect zit ook sterk in dit gedicht. Dat begint al bij de titel, die een dag-van-de-week en een deel-van-de-dag aanduiding is. Dat is niet heel exact. We weten niet het jaar en de maand. Dat zouden we wel verwachten als we dit gedicht als dagboekaantekening zouden beschouwen. We weten ook niet de precieze tijd in de ‘-avond’. Het gedicht is in alles niet heel precies. Zo komen we ook de exacte leeftijd van de ‘man’ niet te weten.
Belangrijk aan de titel is dat de dag-van-de-week een cyclisch fenomeen is. In het bijzonder is een ‘maandag-‘ de eerste dag van een werkweek. De ‘-avond’ is dan weer het dagdeel dat de wakende dag afsluit. Zo zit in de titel een begin en een einde besloten. Het duidt het einde van een begin aan. Dat komt overeen met de ‘middelbare leeftijd’ die de ‘ik’ van het gedicht bereikt. Blijkbaar was hij tot aan deze verjaardag nog niet ‘van middelbare leeftijd’, of vond dat zelf in ieder geval niet. Maar nu wel. Het begin van het leven is voorbij.
Het tijdsaspect is ook prominent in de eerste versregel. ‘Vandaag was ik’, niet: “vandaag ben ik”. Het is al avond, de dag is al goeddeels voorbij. In dit gedicht gaan we blijkbaar terugkijken op die dag. Misschien om hem af te ronden, misschien in een poging hem langer te laten duren.

De ‘ik’ komt in dit gedicht passief over. Als we kijken wat hij feitelijk doet, dan is dat typen, ‘persberichten’ versturen, en ‘het lege pand’ verlaten. Aan alle andere dingen die in het gedicht beschreven staan, zit geen actie gekoppeld: ‘jarig’ zijn, ‘van middelbare leeftijd’ worden, ‘een geheim’ hebben en dat ‘prettig’ vinden, ‘extra lang’ wachten. Het meest typerende voor de passiviteit is de versregel ‘Niemand feliciteerde mij’. Hij had ervoor kunnen zorgen dat collega’s hem kwamen feliciteren, maar heeft dat niet gedaan. Blijkbaar is de ‘ik’ ook niet zo close met één of meerdere collega’s dat die wisten dat hij jarig was. De ‘ik’ is een eenling in deze groep, maar voelt zich wel degelijk onderdeel van de groep. Dat blijkt misschien het duidelijkste uit het voorzetsel in de versregel ‘als laatste van kantoor’. Er staat niet: “op kantoor”, dan zou het over een werkplek gaan. Er staat ‘van kantoor’: het gaat over een gemeenschap. Dat zit ook impliciet in ‘stiekem’ (v1) en ‘een geheim’ (v5). Daarvoor moeten er andere mensen zijn die niet merken en niet weten dat de ‘ik’ jarig is.
Waarom vindt de ‘ik’ dat eigenlijk ‘prettig’? Dat prettige lijkt niet op de verjaardag zelf te slaan, maar op het verborgen houden daarvan voor zijn collega’s. De ‘ik’ ‘wachtte extra lang’. Er staat niet: ‘werkte extra lang door’, nee, ‘wachtte’, gewoon om het gevoel langer te laten duren. Puur om langer te genieten. Voor iemand die ‘persberichten’ verstuurt als werk is het blijkbaar ‘prettig’ iets te hebben wat hij niet openbaar hoeft te maken. Het ‘jarig’ zijn en hoe hij daarmee omgaat, is dan ook het enige beetje intieme dat we van de ‘ik’ te weten komen. De rest is algemeen (‘man van middelbare leeftijd’) of werkgerelateerd.

We weten dan ook niet zeker of de ‘ik’ zijn verjaardag wel of niet viert. We weten alleen dat hij het niet op zijn werk heeft gevierd. Misschien is dit gedicht wel wat hij ’s avonds op zijn verjaardagsfeestje zegt tegen één van de gasten. Misschien heeft hij wel veel vrienden, een liefdevolle partner, een warme relatie met zijn ouders, goed contact met overige familie. Wie zal het zeggen. Dit gedicht in ieder geval niet – er staat niets in over de persoonlijke omstandigheden van de ‘ik’.
Het gedicht heeft een matter-of-fact toon. Geen enkele opsmuk. Klankovereenkomsten lijken eerder vermeden te worden dan opgezocht. Er is geen vast metrum of ritme. Alleen vier onderkoelde zinnen die over acht versregels zijn verdeeld. Het verschilt niet zoveel van een ‘persbericht’.
Een persbericht versturen is een erg indirecte vorm van communicatie. Het moet opgepikt worden door iemand bij een krant, website, radio, tv of ander mediakanaal. Die moet er weer iets mee doen, en dan komt de informatie bij slechts een deel van het publiek terecht, dat er ook nog eens geen acht op hoeft te slaan. Als een dichter een gedicht heeft geschreven, heeft hij ook een publicatiekanaal nodig (boek, podium, tijdschrift, website, etc) om een publiek te bereiken waarvan het grootste deel geen interesse heeft in poëzie.
De vraag dringt zich op waarom de ‘ik’, die het juist prettig vond om zijn verjaardag niet wereldkundig te maken, dat wel in een gedicht doet. Ten eerste is de groep waarmee hij de boodschap deelt anders. De collega’s ‘van kantoor’ is een andere groep dan poëzielezers. Maar misschien belangrijker is dat hij op het moment van het gedicht al ‘jarig’ is geweest. Het gedicht is dan ook niet bedoeld om te laten weten dat de ‘ik’ jarig is. Het is geen uitnodiging voor een verjaardagsfeestje. Het gedicht beschrijft hoe de ‘ik’ met zijn verjaardag is omgegaan. Jarig zijn, ik begon ermee, doen we allemaal. Het gedicht zegt niet meer dan dat er een mens is, niet jong, niet oud, van mannelijk geslacht, die op een kantoor persberichten verstuurt. En dat mens wil het persoonlijke verborgen houden voor de andere mensen ‘van kantoor’. De analogie met het dichterschap: er is een dichter die een mens is, niet jong, niet oud, van mannelijk geslacht. Dat mogen we best weten. Hij schrijft gedichten, maar de persoonlijke omstandigheden van de dichter blijven buiten het gedicht.

Het laatste woord van het gedicht is ‘verliet’. Het geeft net als de titel een afronding aan. Met dit woord wordt het gedicht afgerond. De ‘ik’ verlaat het gedicht, ‘het lege pand’. Het ‘geheim’ van het gedicht blijkt niets anders te zijn dan een verjaardag. Iets speciaals wat toch iedereen ten deel valt. Bovendien is ‘jarig’ een lege constructie om het verstrijken van de tijd in een mensenleven aan te geven. Het zegt niets over de inhoud van dat leven.
Het gedicht is een lege vorm.
___
 

Een steen openvouwen
Alexis de Roode
Uitgeverij Podium
€ 17,50
ISBN 9789057598517

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.