Gepubliceerd op: zondag 26 maart 2017

EI33: Thomas Möhlmann – Tussenstop

 

Al die jonge mensen, over hun huiden
verschillende lagen beveiligingsuniform
koffieketen-, vrijetijds- en vruchtbare
zakenlunchuniform, bij hun vader op schoot

met hun dochter op schoot, met paspoorten
en mobieltjes in hun vingers, hun vermoeide
alerte ogen, kwetsbare handbagage, heimwee
en honger en boardingcards. Al die jonge mensen

die oude mensen worden, met hun brede heupen
bevallige jukbeenderen, aderen, pepermuntgekruide
slecht adem, gebroken Engels, gebrekkig geheugen

hun korte samenvattingen van familiesituaties
geruisloze instemming, vergelijkbare samenvattingen
van vergelijkbare familiesituaties, prima getimede
stiltes. Hun comfortabele sneakers, lichte cadeautjes
voor thuis, hun vergeetachtige liefde en verveling.

Ze staren allemaal naar de schermen, beginnen hier
en daar al te kalen, vinden het passende gatenummer
stellen hun kijk- en beweegrichting vast, al die mooie
bejaarden die gaan sterven, ze slepen zichzelf en hun
tassen weer een nieuwe bestemming tegemoet.

___

Aristoteles schreef dat poëzie twee essentiële doelen heeft: prijzen (zoals in lofzangen of heldenliederen) en afkeuren (zoals in de satire). Door de wereld te benoemen, door naam te geven aan wat je waarneemt, maak je de wereld. De mensen kunnen ons vervullen met afkeer of lof.
Volgens de pas overleden Derek Walcott is het voor iedere dichter altijd ochtend in de wereld. Denk aan ‘Marc groet ’s morgens de dingen van Paul van Ostaijen. De dichter houdt van de wereld. Hij kan kritiek hebben op of afschuw van, maar hij wil de wereld niettemin omarmen.
In de gedichten van Thomas Möhlmann vind ik bovengenoemde doelen, of misschien beter zienswijzen terug.

In het gedicht ‘Tussenstop’ uit zijn nieuwe bundel Ik was een hond, kijkt de lezer mee met een beschouwer. In vijf strofen, vier zinnen, noteert hij als een denkende camera wat hij ziet en hoort. Zo’n standpunt heeft vanzelf iets arrogants – zie mij oplettend kijken -, maar er is ook empathie. Hij beziet de mensen in een luchthaven met kritiek, maar ook met liefdevolle aandacht, mededogen. Hij is tenslotte toch één van hen. Mensen lijken op elkaar.

Het valt de beschouwer op (Möhlmann is veertig inmiddels) hoe jong de beveiligers zijn, de meisjes of jongens van de koffie en de anderen, de toeristen en zakenlieden. Let op het woord ‘huiden’, dat de initiële naaktheid en weerloosheid toont. De dichter zet ze allen bij elkaar en eindigt het eerste kwatrijn met ‘bij hun vader op schoot’. De kinderen moeten gekoesterd en beschermd worden. Door de opsomming van al die jonge mensen in hun functie zijn ze als kinderen op de schoot van een grote onzichtbare vader. En dan volgt in strofe twee ‘met hun dochter op schoot’, terug naar de konkrete werkelijkheid. Hij ziet de mensen zenuwachtig doen met paspoorten en mobieltjes. Hij kent het van zich zelf.

Fraai is de oxymoron ‘vermoeide/alerte’, een rake waarneming. Hoewel men vermoeid is, kijkt men toch wakker rond naar nieuwe informatie, naar dieven of idioten. De handbagage is kwetsbaar. De dragers zijn dat ook: er is heimwee, honger. Aan het slot van het tweede kwatrijn herhaalt de dichter ‘Al die jonge mensen’. De zin loopt door in de volgende terzine. Ze worden nog kwetsbaarder. De dichter beziet ze wellicht met enige afkeer (brede heupen), maar ze zijn ook bevallig, hun jukbeenderen althans. Je ziet aderen op hun handen; je ruikt slechte adem ondanks de pepermunt. Je hoort gebroken Engels. Gebroken, gebrekkig. Ze praten onbeholpen en weten niet meer wat ze wellicht zouden moeten weten. Er wordt gekletst over min of meer intieme zaken en er wordt gezwegen. Niet alles kun je zeggen. Een effectief enjambement is: ‘getimede / stiltes’. De dichter herkent het en weet voor zichzelf: het komt er aan.

Ze hebben prettig schoeisel, laten elkaar uiteraard lichte cadeautjes zien en er is verveling.
Ach, zie ze nu zitten en lopen, kijken naar de schermen. Ze worden al kaal. Bejaarden kunnen ook wel mooi zijn, maar ze gaan dood, zoals wij allemaal. We zijn veertig, worden misschien tachtig. Dit is een tussenstop. We zijn op de helft, maar we gaan verdwijnen. Nu zijn we allemaal nog bezig, slepen onze bagage naar nieuwe bestemmingen. In de loop van het gedicht is de beschouwer één geworden met de beschouwden en dat geldt ook voor de lezer.
___

Thomas Möhlmann
Ik was een hond
Uitgeverij Prometheus
€ 17,99
ISBN 9789044633139

 
 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Dichter, prozaïst,criticus, interviewer.