Gepubliceerd op: maandag 30 januari 2017

EI24: Ester Naomi Perquin – Volgorde

 

De eerste herinnering die geraakt wordt is een dag aan zee,
nat zand en het geluid van meeuwen. Hoe een stuk vis
van een plastic vork wordt gegrist, de schrik dat
zulk formaat, zulk pikken zo dichtbij kan
zonder iets te raken.

Daarop volgt de nacht: twee handen om een been, een been
om een arm, krullend haar, samen ademhalen. Die mond
waaruit taal verdwenen is maar niet de zucht naar meer.
Het donker dat steeds weer geluiden vangt waarop
nu, zelfs nu nog, je lichaam reageert.

Dan: een jas, gescheurd. Het zingen dat ineens paniek kan zijn, dat
vreugde en paniek kan zijn. Fijn glas dat kraakt. Een schoentje
van bruin leer, een maat te klein om op te lopen, dat ergens
op het asfalt ligt en jij een bocht die daar
niet nodig was. Een klap.

De laatste is hooguit een ademhaling lang, de blik vertraagt,
flits van een lach doordat je aangenaam verbijsterd bent
hoe deze grond tot snelheid kwam, zich na één schot
zo feilloos naar je toe beweegt en
moeiteloos je lichaam vangt.

 
___

Wat we zien is een gedicht van vier strofen van elk vijf versregels. Binnen iedere strofe neemt de lengte van de versregel met iedere volgende regel af. We zien veel enjambementen, maar nooit over de strofes heen. De strofes zijn afgesloten, staan bij elkaar maar hebben een eigen identiteit.
Wat we horen is een metrum dat in de eerste twee strofes in basis jambisch is, maar veel onregelmatigheden bevat. Vaak overduidelijk expres. Neem deze zin uit de tweede strofe: ‘Die mond waaruit taal verdwenen is maar niet de zucht naar meer.’ Dat zou met de toevoeging van ‘de’ voor ‘taal’ een perfect regelmatig metrum geven. Maar zonder het lidwoord komt door de antimetrie sterk de nadruk op ‘taal’ te liggen. In de laatste twee strofes is het metrum regelmatiger.
Wat we ook horen is ondanks de afwezigheid van volrijm een enorme klankcoherentie. Neem bijvoorbeeld in de eerste strofe de korte i-klanken van ‘vis’, ‘-tic’, ‘-grist’, ‘schrik’, en ‘pik-‘. Of de ‘vork’ / ‘wordt’ klankovereenkomst. Of de langgerekte a-klanken die de eerste versregel van de laatste strofe domineren.
Een soortgelijke coherentie vinden we ook terug in de herhaling van woorden. Binnen de strofes bijvoorbeeld ‘zulk’ en het ‘raken’ in de eerste strofe, ‘been’ in de tweede. Maar ook over de strofes heen. Het ‘geluid’ uit de eerste strofe die terugkomt in de ‘geluiden’ in de tweede. Het ‘ademhalen’, het ‘vangen’ en het ‘lichaam’ van de tweede strofe die terugkomen in de laatste strofe. De constructie met ‘hoe’ om een ervaring te verwoorden die in de eerste strofe gebruikt wordt en ook weer in de laatste. En natuurlijk het gebruik van ‘je’ en ‘jij’ in de drie laatste strofes.

De titel ‘Volgorde’ is eenvoudig terug te vinden in het gedicht. Het begint immers met ‘De eerste’, laat de tweede strofe beginnen met ‘Daarop volgt’, de derde met ‘Dan:’ en de vierde strofe met ‘De laatste’. Het gedicht is zo een opsomming. Uit de eerste strofe leren we dat het om een opsomming van herinneringen gaat.
Ook binnen een strofe domineert de opsomming. Iedere strofe lijkt inderdaad een min of meer coherente herinnering te zijn, maar geen ervan wordt verteld als een verhaal met inleiding, midden en afsluiting. Het zijn losse fragmenten, die bij elkaar horen omdat ze in het verleden ooit bij elkaar ervaren zijn. Een herinnering is tegelijk aanwezig, hier en nu, en voorgoed voorbij. De herinneringen in dit gedicht worden beschreven in de tegenwoordige tijd, waarschijnlijk omdat ze in de verteltijd opnieuw worden beleefd.

De ‘volgorde’ van de herinneringen is niet met zekerheid vast te stellen.
De eerste strofe is een herinnering van een dag aan zee waarbij (waarschijnlijk) een meeuw een stuk vis van een vork pikt. Hoe oud deze herinnering is, weten we niet. De strofe meldt dat het de ‘eerste herinnering die geraakt wordt is’. Maar dat betekent niet dat het de vroegste herinnering is. Gaat het hier om een kind? De strofe is erg passief, met twee keer de lijdende vorm met ‘wordt’. Maar dat kan ook door de ‘schrik’ komen. Dat ‘zulk formaat’ ‘zo dichtbij’ kan komen is ook niet doorslaggevend. Ook voor een volwassene is een zeemeeuw groot.
In deze strofe gaat het net goed. Er wordt in deze herinnering niets ‘geraakt’. Maar de herinnering zelf wordt wel ‘geraakt’. Dus we weten dat er iets te gebeuren staat.
Ook de tweede strofe is moeilijk in de tijd te plaatsen. Het gaat over het ‘lichaam’ waarvan enkele onderdelen opgesomd worden. Het gaat over ‘ademhalen’ en ‘zucht’ en ‘geluiden’. Het gaat over ‘samen’. We kunnen hier meerdere kanten mee op. We kunnen het zien als een erotische herinnering. Twee geliefden die opgehouden zijn de ‘mond’ voor ‘taal’ te gebruiken. Maar we kunnen het ook zien (wederom: misschien een kind) als iemand die in ademnood zit en door iemand anders (een ouder?) geholpen wordt daardoorheen te komen.
De derde strofe lijkt te gaan over een verkeersongeluk. De vraag is hier of de genoemde herinneringsfragmenten in chronologische ‘volgorde’ staan. Zou ‘de klap’ aan het einde niet het begin zijn van het ongeluk en de ‘jas, gescheurd’ het gevolg?
De laatste strofe gaat over iemand die op de grond valt ‘na één schot’. Dus iemand die is neergeschoten? Wel ‘geraakt’ dus dit maal. Opvallend is dat de ‘je’ die het ervaart geen gewag maakt van pijn, woede, of andere negatieve emoties. De ‘je’ is ‘verbijsterd’, maar wel ‘aangenaam’, vindt dat alles ‘feilloos’ en ‘moeiteloos’ gaat. Dit lijkt zo’n dramatische gebeurtenis te zijn waarbij ‘de blik vertraagt’. Toch duurt deze herinnering ‘hooguit een ademhaling lang’. Het is niet duidelijk of de ‘je’ aan de schotwond overlijdt. Maar het gedicht houdt hierna op, dus voor dit gedicht is het afgelopen met de ‘je’.
We zien zo in het gedicht een ‘volgorde’ van toenemende ellende. Een voorval waarbij er enkel kortstondig schrik is, ademnood waarbij langer gevreesd moet worden en emotionele schade ontstaat, een verkeersongeluk waarbij ook fysieke schade ontstaat, en tenslotte een dodelijk schot.

We kunnen nog meer vermoedens formuleren over de ‘volgorde’ en de aard van de herinneringen. De laatste herinnering is -in ieder geval voor dit gedicht- de laatste. Dat wil zeggen dat het op de grond vallen het ‘nu’ is, of net-voor-het-nu. De herinneringen zijn blijkbaar de beruchte film die zich voor je geestesoog voltrekt voordat je sterft. De ‘volgorde’ draait op dit punt om: het ter aarde vallen aan het einde is immers de start van het herinneren. De herinneringen van dit gedicht komen na het vallen, maar voor de herinnering aan het vallen.
Er is in het hele gedicht geen referentie naar een ‘ik’. Er is alleen een ‘je’. Dat werkt goed om de ervaring over te dragen op de lezer, maar het werkt ook alsof de verteller al afscheid van zichzelf neemt, de herinneringen tegen een ‘je’ vertelt, een zelf dat al niet meer ‘ik’ is.
De toenemende regelmaat in het metrum kan er op wijzen dat de eerste twee strofes oudere herinneringen zijn, en de laatste twee minder lang geleden. Het afnemen van de verslengte in iedere strofe kunnen we duiden als het verdwijnen van de herinnering. Iedere herinnering wordt nog een laatste keer herbeleefd, en sterft dan voorgoed. Maar we kunnen het meer algemeen opvatten als het voorbijgaan van ervaringen.

Hoewel het woord ‘ik’ of ‘zelf’ niet voorkomt, lijkt dat wel de centrale notie van het gedicht te zijn. De herinneringen en hun elementen worden fragmentarisch weergegeven. Hoe ze zich ten opzichte van elkaar verhouden is onduidelijk. Het is de coherentie in diverse vormaspecten in het gedicht die zorgen dat deze fragmenten bij elkaar horen, die zorgen dat er een continuïteit is voor deze reeks discontinue fragmenten.
In de alledaagse werkelijkheid is het een ‘ik’ of ‘zelf’ die dit bereikt. De persoon die de herinneringen in dit gedicht herbeleeft, was eerder al de verbindende factor tussen losse ervaringsfragmenten.
In dit gedicht is het de lezer die door de fragmenten te lezen de verbinding vormt. En zo zelf een ervaring rijker wordt.
___
 

Meervoudig afwezig
Ester Naomi Perquin
Uitgeverij Van Oorschot
€ 16,99
ISBN 9789028261631

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.