Gepubliceerd op: maandag 26 december 2016

EI19: Max Greyson – Wanneer niemand meer huivert, is niets echt een einde

 

Als we dan toch moeten vervagen in deze schemering van regens
slechts de geur van ontbinding ons nog toekomt en kan doordringen
wanneer we niet verder reiken dan een armlengte, onze spanwijdte
als een stuk draad te kort om door het oog van de naald te trekken
wanneer we spreken in omgekeerde echo, de klanken wegsterven
in ons strottenhoofd nog voor ze onze mond uit zijn gevlucht
kunnen we maar beter kluiven op de opgeschorte avondschijn
tot de nacht zich terugtrekt en dichtvouwt
als de hand waarin ze werd bedacht

 
___
Is er verschil tussen ‘als’ en ‘wanneer’ als voegwoord? Ze zijn synoniem, en kunnen fungeren als voegwoorden van tijd, voorwaarde, of veronderstelling. Toch heeft ‘wanneer’ een sterkere tijdsconnotatie. Het gaat er bij ‘wanneer’ meer om op welke tijd iets gebeurt. Het feit dat het gebeurt of gaat gebeuren, is minder de vraag. Daarom geeft ‘als’ bij gebruik als voegwoord van voorwaarde of veronderstelling grotere twijfel weer: het is mogelijk, misschien gebeurt het wel, misschien niet.
Het gedicht begint met zo’n onzekere ‘als’, maar probeert meteen grotere zekerheid te geven: ‘als we dan toch moeten’. Vooral dat ‘toch’ geeft aan dat wie spreekt zich heeft neergelegd bij de onvermijdelijkheid van wat er verderop in de zin komt.

Inhoudelijk kent het gedicht een grote coherentie. Dat is verrassend omdat ons al in de tweede versregel wordt voorgehouden dat ‘slechts de geur van ontbinding ons nog toekomt’. En die ‘ontbinding’ speelt een centrale rol in het gedicht. Ten eerste als onderdeel van het sterven van het (menselijk) lichaam. Ook woorden als ‘vervagen’, ‘schemering’ en ‘wegsterven’ spelen hierin mee, net als het beeld van de nacht die ‘zich terugtrekt en dichtvouwt’ aan het einde. Verschillende onderdelen van het lichaam komen verspreid in het gedicht voor: ‘arm’ (v3), ‘oog'(v4), ‘strottenhoofd’ (v6), ‘mond’ (v6) en ‘hand’ in de laatste versregel. Aldus komt de ‘ontbinding’ ook als het verdwijnen van binding in het gedicht. Onze ‘spanwijdte’ is ‘te kort’ om elementen met elkaar te verbinden, en in versregel vier leren we dat de ‘draad’ niet in de ‘naald’ kan, waardoor we letterlijk niet kunnen “binden” (denk aan boekbinden). Een ‘echo’ is een nagalm waardoor enkele eindklanken een paar keer worden herhaald. In het geval van ‘spreken’ zijn enkele woorden of delen van woorden meerdere keren te horen nadat het hele gezegde al te horen is geweest. Wat is dan een ‘omgekeerde echo’? Ik stel me voor dat dan juist alleen de herhaalde woorden of delen van woorden, de fragmenten van het gezegde te horen zijn, en dat daarna het ‘volledige’ gezegde te horen is. Die fragmentatie is ‘ont-binding’, een begrip dat in de hedendaagse kunst en in het bijzonder de poëzie een belangrijke rol speelt. De “volledigheid” en “coherentie” bestaat enkel als ‘omgekeerde echo’ in de geest van de beschouwer, die het maar niet kan laten een poging tot zingeving te ondernemen.

Het gedicht is een uitgesponnen als…..dan….. stelling. Het bestaat, afgezien van de titel, uit vier delen. De eerste drie van die delen zijn bijzinnen die beginnen met ‘als’ of ‘wanneer’, en de laatste drie versregels vormen het afsluitende dan-deel. Het is een beproefd recept dat we vooral tegenkomen in klassieke sonnetten. Er is geen eindrijm, het metrum krijgt pas na de vijfde versregel regelmaat, en er staan vijf versregels te weinig, maar in essentie is dit een sonnet in een hedendaagse vorm.
De structuur krijgt het gedicht naast de als…..dan….. zinsconstructie vooral van de afwisseling van ‘als’ en ‘wanneer’ aan het begin van de versregels. Na de ‘als’ aan het begin van het gedicht, komt dat woord nog twee keer voor. Aan het begin van versregel vier lijkt het om een vergelijking te gaan. Er ontbreekt een werkwoord om hem als bijzin op te vatten. In de poëzie is dat geen belemmering, maar in dit gedicht voldoen de zinsdelen verder keurig aan de grammaticale regels. De laatste versregel begint ook met ‘als’. Ook hier kunnen we dit opvatten als een vergelijking. We kunnen het echter ook zien als een nieuw begin. Daarvoor pleit de introductie van ‘ze’ in de laatste versregel. In eerste instantie lijkt dat woord terug te slaan op ‘de nacht’ in de versregel ervoor, maar ‘nacht’ is mannelijk. Er was eerder in het gedicht sprake van ‘ze’, maar dat was als meervoudsvorm. Het dichtsbijzijnde zelfstandig naamwoord waarnaar ‘ze’ zou kunnen verwijzen is ‘naald’ in versregel vier. Maar dat is zo ver weg, dat die connectie zwak is, om niet te zeggen onwaarschijnlijk. Het is waarschijnlijker dat de laatste versregel met ‘ze’ een nieuwe, niet eerder in dit gedicht genoemde, persoon of grootheid aanduidt.
De laatste versregel zou de aanzet kunnen zijn tot een nieuwe (uitgesponnen) als…..dan….. stelling.

De als…..dan….. vorm is ook de helft van een klassiek syllogisme. In die zin is het gedicht niet af. Of het is misschien beter om te zeggen dat wij als lezers vanuit klassieke logica een bewering verwachten die vaststelt dat er aan de voorwaarde(n) voldaan is, zodat er een conclusie getrokken kan worden. Het gedicht ondermijnt deze klassieke logica op twee manieren. Ten eerste door meerdere bijzinnen te gebruiken waardoor de helderheid van de voorwaarde wordt aangepast. Hierdoor krijgt het dan-deel zelf het karakter van een conclusie. Ten tweede door aan het einde de mogelijkheid te geven door te gaan met een nieuwe als…..dan….. stelling, die mogelijk hetzelfde doet. Het gedicht is zo de kiem voor een woekering van als…..dan….. stellingen, die geen ruimte laten voor vaststellingen en zo geen conclusie toelaten.

In die zin is er, zoals de titel stelt, ‘niets echt een einde’.
De titel is zelf overigens ook een als…..dan….. stelling en weerspiegelt daarmee niet alleen de hoofdstructuur van het gedicht, maar speelt ook mee in de woekering van als…..dan….. stellingen.
De titel heeft het over negatieve abstracties als ‘niemand’ en ‘niets’, terwijl het in de strofe van het gedicht gaat over een ‘we’. Dat lijkt een algemeen existentieel ‘we’ te zijn als in “wij, de mensheid”. ‘We’ zijn daarbij omringd door ontbinding en fragmentatie en leven in ‘de opgeschorte avondschijn’. Het einde is nabij, maar de avond wil maar niet vallen. De avondval wordt continu ‘opgeschort’. In de tijd die daarmee beschikbaar komt, ‘kunnen we maar beter kluiven’. En ‘kluiven’ doen we op botten van eerder overleden lichamen. Hoe macaber het tafereel van verspreide lichaamsdelen, ‘de geur van ontbinding’, het ‘wegsterven’ en het ‘kluiven’ ook zijn, de titel neemt aan dat er ‘niemand meer huivert’.
Maar het ‘we’ kan ook slaan op een particulier ‘we’ van twee of meer personen of grootheden waar de verteller er één van is. We krijgen daar niet echt de vinger achter in dit gedicht. Er wordt nergens gerept van een “ik”, “jij” of “jullie”. De collectiviteit is daarmee groot. Een mogelijkheid is dat ‘we’ de woorden van dit gedicht zijn, die ‘moeten vervagen in deze schemering van regens’. En daarbij maakt het ‘vervagen’ en de ‘schemering’ het mogelijk dat we dat laatste woord niet goed kunnen lezen: misschien stond er wel “tekens”. De woorden trekken zich inderdaad terug, dat zien we aan de korter wordende versregels aan het einde van het gedicht. Maar dat betekent niet dat het een ‘echt’ einde is. Het is eerder een terugkeer naar de oorsprong.

En zo komen we weer bij het woord ‘als’ waarmee het gedicht begint. Het werkt als voegwoord van voorwaarde of veronderstelling, maar tegelijk maakt het van het hele gedicht een vergelijking. Het hele gedicht is daarmee een ‘-schijn’ (v7), een alsof- en zoals-zijn.
En daarmee komen we tot een omkering van de stelling in de titel: er is ‘niets echt’, vandaar dat er ‘niemand meer huivert’.
___

Waanzin went niet
Max Greyson
Uitgeverij De Arbeiderspers
€ 17,99
ISBN 9789029510493

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.