Gepubliceerd op: dinsdag 22 november 2016

Symbiotiek II: Ben Lerner – The Hatred of Poetry en Astrid Lampe

viennadioscoridesplant

 

‘De poëzie is een vrije plant’, schrijft Flaubert, en zij groeit net zoals ieder organisme niet uit de leegte, niet alleen. Poëzie raakt altijd aan andere tekst. Zij gaat verbanden aan die parasitair, bestuivend, complimenterend of problematiserend kunnen zijn — de botsingen en wrijvingen generen en verrijken; zij geven vorm aan een netwerk van verbonden weefsels. Deze reeks is gewijd aan het blootleggen van de symbiotische relaties die kruisen in een lezend subject. Symbiotiek is een leesverslag, een verzameling nooit voltooide essays, een blog, een kas, een inventarisatie, een stookkamer — een eenheid bestaande uit momentopnames. 

Eerder dit jaar verscheen The Hatred of Poetry, een essay in boekvorm van Ben Lerner. Met dit boekje volgt Lerner een uitbundig geprezen reeks publicaties op. Vijftien jaar geleden maakte hij furore als dichter, iets meer dan vijf jaar geleden publiceerde hij de bejubelde roman Leaving the Atocha Station, waarvoor hij werd geprezen door Jonathan Franzen en John Ashberry en zelfs bijna de National Book Award won. Ook zijn tweede roman, 10:04, kon rekenen op een enthousiaste receptie, waardoor Lerners naam internationaal gevestigd was. Op deze reeks successes volgt dit merkwaardige boekje, dat nog geen 100 pagina’s beslaat, met een uitzonderlijk grote missie: uitleggen waarom een groot deel van de mensen poëzie haat.

Vanaf de eerste regels is Lerners charmante toon weer van de partij: hij schrijft informeel, grappig en ironisch, hij wisselt erudiete uitspattingen kunstig af met alledaagse en persoonlijke anekdotes. Het is duidelijk dat Lerners studie niet van een academische aard is en toegankelijk wil zijn. Dit sluit volledig aan bij het uitgangspunt van het essay: poëzie heeft een slechte reputatie omdat mensen vermoeden dat zij zeer ontoegankelijk is. Nu is dit geen bijzonder nieuwe benadering, maar Lerners invulling van dit probleem (dat poëzie, hoe toegankelijk zij volgens schrijvers en lezers ook wordt bevonden, het overgrote deel van de mensen koud laat) is wel origineel. Lerner stelt namelijk dat poëzie sinds lange tijd kampt met een tegenstelling: aan de ene kant belooft de poëzie een transcendentie die voor ieder mens toegankelijk is, terwijl zij er in de realiteit telkens op wordt gewezen dat zij deze belofte niet waar kan maken. Lerner maakt dit onderscheid aan de hand van het reële en het virtuele gedicht. Het virtuele gedicht — het gedicht in het hoofd van de auteur of de lezer — beschrijft een unieke gedachtegang of emotie en heeft de mogelijkheid om een lezer te beroeren of emotioneren. In de realiteit doet een zeer klein gedeelte van de gedichten dit werkelijk. Het overgrote deel van de poëzie kan deze belofte niet waarmaken; lezers worden door de teksten koud gelaten of het gedicht beschrijft een ervaring die niet inzichtelijk kan worden. Dit is het falen van het reële gedicht: de gerealiseerde tekst die het virtuele ideaal zou moeten bevatten.

Het probleem is dus de breuk tussen tekst en ideaal. Men heeft verheven ideeën over wat poëzie zou moeten kunnen doen (diep ontroeren, nieuwe perspectieven aanbieden, identificatie verschaffen etc.), maar in de praktijk kan een zeer klein gedeelte van de teksten echt iets dergelijks bereiken. Volgens Lerner leidt dit tot een radicale teleurstelling. Omdat het merendeel van de mensen bij het lezen van een gedicht geen ervaring heeft die bij het geprojecteerde ideaal hoort, denken mensen dat ‘poëzie niets voor hen is’; zij zijn immers niet in staat om het op de ideale manier te ervaren. Deze destructieve breuk wordt volgens Lerner treurig genoeg in stand gehouden en door dichters zelf vermeld: zijn terugkerende mantra is dan ook het ‘I, too, dislike it’ van Marianne Moore. Het mag overigens vermeld worden dat dit essay ook vele interessante zijsporen trekt, bijvoorbeeld naar een prachtige lezing van Claudia Rankines Citizen in het licht van het politieke van non-identificatie. Voor meer hierover verwijs ik graag door naar Klecks , waar november zelfs in het teken van Ben Lerner staat.

Voor nu wil ik graag stilstaan bij de spanning tussen reëel en virtueel. Ben Lerners lezing is op een bepaalde manier dramatisch en, zoals hij zelf al vermeldt, allesbehalve generaliseerbaar. Wel denk ik dat er zeker gevallen zijn waar dichters zelf met de breuk tussen het ideaal en het echte gedicht aan de gang gaan. Waar de dichter niet zo zeer ‘teleurstelling’ in het gedicht werkt, maar blijk geeft van het loodzware gewicht van het virtuele, dat in het echte gedicht nooit waargemaakt kan worden.

Ter illustratie citeer ik fragmenten uit het slotgedicht van Park Slope: k’nex studies (2008) van Astrid Lampe:

 

 

DOCUDRAMA VAN EEN GEDICHT

‘p o ë z i e  i s  d a n s’

[…]

l i e f d e!’

pop-up menuutje van haar holtes

(waarin dat verdomde “L-woord” resoneert…hazen ja, focking klem tussen twee hazen of hoe wil je die buitengewoon olijke buitengewoon gelukte buitengewoon aanstellerige haasje-lepeloor-BN-gebaartjes-in-de-lucht ánders noemen – het “L-woord”, tussen haakjes ja:…….)

r e s o n a n s

 

 

Deze splinters van dit langere gedicht verzetten zich al tegen de algemeen gehanteerde vormen van moderne poëzie: Lampe gebruikte merkwaardige typografie, wisselt springerig van registers en lijkt geenszins bezig te zijn met het waarborgen van iets van coherentie. Er gebeurt echter meer dan alleen gekkigheid. De titel wijst al op een bepaald meta-perspectief: het is niet een gedicht, maar een documentatie van hoe een gedicht is of tot stand komt. Poëzie wordt in de tekst een dans genoemd, waarin het begrip liefde invoelbaar wordt gemaakt. Op een karikaturale wijze sluit dit aan bij wat Lerner zegt over het virtuele gedicht: het is meeslepend, uitnodigend en het geeft een invoelbare representatie van ‘grote’ menselijke gevoelens als liefde. Vervolgens ondermijnt Lampe deze notie: tussen haakjes wordt de liefde ‘dat verdomde “L-woord”’. Het is een begrip dat zoveel connotaties en verwachtingen met zich meebrengt, dat de dichter het liever tussen haakjes houdt en wegstopt. Het lijkt dus alsof dit gedicht in flarden een virtueel gedicht parodieert, maar op een meta-niveau zich verzet tegen bepaalde verwachtingen omtrent wat het gedicht zou moeten doen.

Dit is slechts een bescheiden voorbeeld van de spanning die Astrid Lampe in meerdere bundels terug laat komen: de flirt met het lyrische (lees: virtuele) binnen gedichten die uiterst zelfbewust zijn, en dus beseffen dat zij dat ideaal nooit kunnen weergeven. Misschien is dat een mooi addendum voor The Hatred of Poetry; er is niet alleen de mogelijkheid om de ‘teleurstelling’ in het gedicht te verwerken, ook kan het gedicht zichzelf als het ware fileren, om zo blijk te geven van de constructie van het virtuele. Lerner maakt zo een nieuwe, bijzonder interessante lezing van het werk van Astrid Lampe mogelijk: in haar eclectische poëzie is niet alleen sprake van improvisatie en spel, maar ook van een uitdaging van het virtuele gedicht, dat af en toe de kop op steekt, maar voortdurend geïroniseerd en getackeld wordt. Lampes poëzie gaat zo voorbij aan de drempel die Lerner denkt te bemerken: door te spotten en te spelen met vermeende idealen, breekt deze poëzie het verwachtingspatroon van gedichten volledig open. Lampe maakt een leegte, die door de lezer, beweeglijk door zijn bevrijding van het verstikkende virtuele, ingevuld moet worden: het associëren, het verzinnen, het maken van verbindingen kan dan beginnen.

About the Author