Gepubliceerd op: maandag 7 november 2016

EI12: Cees Nooteboom – Monniksoog 28

 

Vanuit dat daar niets was, alles zonder
wezigheid, een donker ontbreken,
de vraag aan de zwaan op het zwarte water
omtrent het waarom.

De zwaan vertelde zijn vorm
als enige waarheid, maar de man, in de vorm
van zijn schaduw, wachtte op meer, de smaak
van een antwoord tegen het duister

waar geen woorden voor waren.
Zo stonden ze uren zonder bewegen, zwaan
tegen man, man tegen zwaan. Het gedicht
dat ze werden maakte zichzelf in de stilte

maar zonder een taal.

 
___
Een duidelijk vertrekpunt: ‘Vanuit’.
Maar dan. ‘Vanuit dat daar’ – iets buiten het gedicht wat we niet kunnen zien. Het klinkt ook neerbuigend, ‘dat daar’. Maar het ‘niets was’ erachter klopt grammaticaal dan niet. Het vertrekpunt kan ook zijn ‘dat daar niets was’, dus met ‘dat’ als voegwoord i.p.v. aanwijzend voornaamwoord. Grammaticaal nog steeds wankel, maar inhoudelijk wijst het duidelijk op een schepping. Het zinsdeel dat erna komt, lijkt de tweede optie te bevestigen: ‘alles zonder wezigheid’. Hierbij is het enjambement belangrijk: ‘alles zonder’ heeft een tegenstelling met ‘niets’, maar ook een overeenkomst door het ‘zonder’. En dan de ‘wezigheid’. We kennen aanwezigheid. We kennen afwezigheid. De ‘wezigheid’ is blijkbaar de voorwaarde om dingen aan- of afwezig te laten zijn. Het betreft hier dus een raar soort ruimte waar ‘niets was’, maar tegelijk ook ‘alles’, maar dan ‘zonder wezigheid’. Hoewel alles er is, is niets er echt, want alles is nog zonder de voorwaarde om aanwezig of afwezig te zijn. Maar is vervolgens ‘een donker ontbreken’ bedoeld als bepaling bij ‘wezigheid’? Dus ‘wezigheid’ is ‘een donker ontbreken’? Of bij ‘alles zonder wezigheid’? Ontbreken is een afwezigheid. Als zodanig is het een minder verstrekkende kwalificatie dan ‘zonder wezigheid’. Van de andere kant betekent afwezigheid een missen. Dus het veronderstelt iets of iemand die wat er niet is wel verwacht of verlangt.
Vanuit dit taalkundig onduidelijk begin in de eerste twee versregels ontstaat een ‘vraag’ en een ‘zwaan’ en ‘water’ in het derde vers en sluit de eerste strofe af met wat de vraag is: ‘waarom’. De vraag naar een reden, uitleg of zingeving.

De eerste strofe wekt zo de indruk van een schepping. Hoewel de eerste strofe begint met een hoofdletter een eindigt met een punt, vormt ze geen grammaticaal correcte zin. Het lijkt wel alsof de taal hier ook nog moet worden gevonden of geschapen. Alsof ook de taal zich in dezelfde onduidelijke ontologische status bevindt ‘zonder wezigheid’, maar wel wordt verwacht.

‘De zwaan vertelde zijn vorm’. Vertellen is het gebruik van gesproken woorden. De zwaan toont zijn vorm niet eenvoudig. Is de man blind? ‘De zwaan vertelde zijn vorm als enige waarheid’. Dus de zwaan verklaarde dat zijn vorm de enige waarheid is. Niet erg bescheiden, maar misschien bedoeld als antwoord op het waarom uit de eerste strofe. Maar de man ‘in de vorm van zijn schaduw’ vindt dat antwoord niet voldoende. De vorm van de schaduw van de zwaan, of de vorm van de schaduw van de man? In het eerste geval is de vorm van de man een afgeleide van de vorm van de zwaan, diens beeld en gelijkenis. In het tweede geval heeft hij de vorm van zijn eigen schaduw. Een schaduw is trouwens ‘een donker ontbreken’. Het is het ontbreken van licht op een verder verlicht oppervlakte. De aanwezigheid van licht is dus wel een voorwaarde voor een schaduw. Geeft de zwaan hier frontaal licht op de man? Is de zwaan een wereldse manifestatie van iets goddelijks, zoals bij Leda?
De man wacht op meer, namelijk de ‘smaak’. Zo speelt de mond in deze tweede strofe impliciet een grote rol. Vertellen is met de mond woorden uitspreken en ‘smaak’ is met de mond proeven bij het nuttigen van eten of drinken. Natuurlijk is er een veralgemenisering tot esthetische ‘smaak’. Samen met de wachtende houding wordt de man zo dus recipiënt van hetgeen hij hoopt dat de zwaan nog gaat vertellen.
De laatste versregel van de tweede strofe benoemt expliciet het ‘antwoord’ n.a.v. de ‘vraag’ uit de eerste strofe. Een ‘antwoord tegen het duister’. Betekent dit dat het antwoord bedoeld is als middel ‘tegen het duister’, of dat het antwoord als achtergrond ‘het duister’ heeft, een beetje zoals de witte zwaan het zwarte water als ondergrond heeft? Dit ‘duister’ sluit de donker-licht tegenstelling voor dit gedicht af. De laatste strofen refereren er niet meer aan.

De derde strofe begint met de laatste zin van de tweede strofe af te maken: ‘waar geen woorden voor waren’. Dit kan nog slaan op het ‘duister’, het ‘antwoord’ of zelfs de ‘smaak’. De alliteratie van w-klanken roepen bij mij sterk de echo op van het gedicht ‘Moeder en zoon’ van Rutger Kopland, dat eindigt met ‘en zou het water weten wie zij wiegt’, ook over een zwaan, die in één van de Metamorfosen van Ovidius wordt verenigd met zijn moeder, die water is geworden. Draait Nooteboom hier de rollen van moeder en zoon om?
In ieder geval komt er geen verder vertellen van de zwaan waarop de man wacht. In ‘stilte’, zonder ‘bewegen’, zonder geluid en zelfs ‘zonder taal’ veranderen de man en de zwaan door zich tot elkaar te blijven verhouden in een ‘gedicht’. Of, meer in overeenstemming met wat er staat: het gedicht maakt zichzelf vanuit (!) de man en de zwaan. En zo zijn we rond: van de schepping van de taal, de man en de zwaan aan het begin, tot een gedicht over de man en de zwaan en de taal, en als het gedicht eindigt, verdwijnen de man en de zwaan weer.
Maar ook de taal.

___


Monniksoog
Cees Nooteboom
Uitgeverij Karaat
€ 17,95
ISBN 9789079770311

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.