Gepubliceerd op: maandag 31 oktober 2016

EI11: Jos Versteegen – Ze glimlacht soms

 

Uw beer is beige, met een rood-wit strikje,
en scheef en roerloos zit hij op een kruk
onder de klok met engelen en bazuinen.
Hij ziet u wachten in uw grote stoel
met aanschuifblad voor koffie en warm eten.

Een vis, een vlinder en een kangoeroe,
ze zwemmen, vliegen, springen om u heen
op kindertekeningen die uw man
nog zelf heeft ingelijst en opgehangen.

 
___
Die beer, zou dat een echte beer zijn? Niet waarschijnlijk – hij is ‘beige, met een rood-wit strikje’, dus het zal wel een knuffelbeer zijn, zoals kleine kinderen hebben als ze naar bed gaan. Of zou hij groter zijn?
De beer zit ‘scheef en roerloos’. Blijkbaar niet zo scheef dat hij verder onderuit zakt of valt. Durft hij niet te bewegen omdat hij bang is van de kruk te vallen? Kan hij niet bewegen omdat hij is opgezet, of een speelgoed beer is? Zakt hij niet verder onderuit omdat hij in een evenwicht is, of omdat hij in zijn beweging is bevroren?
Zou de beer in hetzelfde vertrek zijn als de ‘u’? Of zou het een foto van een beer zijn, een poster, of een televisie uitzending, of een ander scherm met de afbeelding van de beer? En die kruk en de klok, zouden die in hetzelfde vertrek zijn als de ‘u’?

Tijd en ruimte spelen zo meteen in de opening een belangrijke rol.
De ‘u’ is passief, het enige wat hij/zij in dit gedicht doet is ‘wachten’. Hoe lang en waarop? Dat weten we niet. Er is een ‘aanschuifblad voor koffie en warm eten’, dus misschien wacht de ‘u’ op eten en drinken. Misschien wacht de ‘u’ op de ‘engelen en bazuinen’ van de apocalyps die op de klok staan. Misschien ook op de dood. De man van de ‘u’ is weg, mogelijk dood, zoals de opmerking dat hij de kindertekeningen ‘nog zelf heeft ingelijst en opgehangen’ doet vermoeden. De ‘u’ is mogelijk zelf bejaard. In ieder geval behoeft hij of zij verzorging getuige het aanschuifblad. Mogelijk wacht de ‘u’ op de komst van de kinderen die de tekeningen gemaakt hebben. De kinderen of kleinkinderen van de ‘u’, of kinderen van een school waar hij of zij werkt of gewerkt heeft?
De passiviteit van de ‘u’ komt in de eerste strofe overeen met het roerloze van de beer (die ‘ziet’ en daarmee misschien wel actiever is dan de ‘u’), en contrasteert in de tweede strofe met de beweeglijkheid van de vis, vlinder en kangoeroe. Buiten het wachten is er niets wat de ‘u’ doet in het gedicht, behalve in de titel. Tenminste als we de ‘u’ uit het gedicht gelijk mogen stellen met de ‘ze’ in de titel. Dan glimlacht de ‘u’ soms. En waarom zou ze glimlachen? Om de herinneringen die de kindertekeningen bij haar oproepen? In die zin lijkt de tijd in dit gedicht achteruit te gaan. De stilstand uit de eerste strofe brengt ons bij de kindertekeningen en de tijd dat ‘uw man’ er nog was.

Maar niet alleen de tijd maakt een terugtrekkende beweging in dit gedicht. De ruimte doet dat ook. Van het vertrek van de ‘u’ weten we alleen zeker dat de ‘u’ in een ‘grote stoel met aanschuifblad’ zit. De beer, de kruk en de klok zijn mogelijk elementen die tot een andere ruimte behoren en die via een afbeelding toegang tot dit vertrek hebben. Mogelijk staan deze drie elementen wel in het vertrek van de ‘u’ – daarover geeft het gedicht geen zekerheid. De vis, vlinder en kangoeroe daarentegen horen echt tot een andere ruimte, een andere wereld zelfs – die van de tekeningen.
We komen zo ook in het ruimtelijke aspect steeds verder van de werkelijkheid af. De keuze voor de aanspreekvorm ‘u’ in het gedicht is ook een keuze voor afstand. Iemand die ouder is, of anderszins respect verdient, of waartoe je afstand wilt of moet houden, spreek je aan met ‘u’. Hierdoor wordt ook een afstand tot de lezer geschapen. Door in de titel wel voor ‘ze’ te kiezen, vergroot het gedicht de afstand: van iemand die benaderbaar is en tegen wie je kunt praten naar iemand over wie je alleen maar kunt praten. Van de andere kant verkleint het de afstand naar de lezer. De lezer is niet langer de ‘u’, maar de bezoeker die de verpleging vraagt of ‘ze’ wel eens iets doet. Het antwoord is de titel.

Het afstand nemen komt ook tot uiting in de vorm van het gedicht. Niet alleen is de eerste strofe dichterbij dan de tweede. In plaats van de enjambementen in de eerste strofe zou ook steeds een punt kunnen komen om de grammaticale zin af te sluiten. Iedere nieuwe versregel brengt zo een nieuw stukje informatie. We zien het plaatje steeds completer, als een camera die uitzoomt. Eerst de beer waarmee het kijken begint, dan de kruk, dan de klok, dan de stoel, en tenslotte het aanschuifblad.
Het terugtrekken in tijd en ruimte is een terugtrekken van de ‘u’ in zichzelf, in de binnenwereld van de tweede strofe waar de vis zwemt, de vlinder vliegt en de kangoeroe springt. De tekeningen tonen afbeeldingen die deze bewegingen suggereren. De terugtrekkende camera ziet de tekeningen, maar niet de actieve bewegingen. Die ontstaan enkel voor het innerlijke geestesoog.
___

woon-ik-hier-jos-versteegen-boek-cover-9789046821442
Woon ik hier
Jos Versteegen
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
€ 18,99
ISBN 9789046821008

 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.