Gepubliceerd op: vrijdag 10 juni 2016

Vertaallab 79 Maria van Daalen – De taal van de Boodschapper (NL, ZA)

DE TAAL VAN DE BOODSCHAPPER

Op de vroege morgen toen de gedachte van weggaan de neiging van blijven overwon, zag ik hem de zoom van zijn kleed vullen met rozen, basilicum, hyacinten en geurige kruiden. Ik zei: Je weet, de bloemen blijven niet en het rozenhof komt zijn belofte niet na, en de wijzen hebben altijd gezegd: aan wat niet blijft moet je je niet hechten. (Saadi, ‘De rozentuin’, in de vertaling van J.T.P. de Bruijn)

Het jonge rode blad van de rozenstruik in april is alweer groen uitgespreid, fijn gekarteld, een schaduw
voor een heggenmus die druk insecten zoekt, pikt, kakelt.
Het vliegtuiggeluid hoog boven hem maakt hem niet onzeker, zoals het mij doet,
weg, weg, uitgezet? Of de weg naar huis, langs cumulostratus wolken, als een god door de aether
met vleugels aan de voeten en een thyrsusstaf.
Moet ik dan misschien de ontluikende klimop plukken, een dionysisch vers zeggen, een plengoffer van Kretenzische wijn
uitgieten in de Rozentuin, waar geen aarde is die het ontvangt,
alleen een eeuwig bevroren vijver die windveren spiegelt?

‘Wend u, wend u, gij Sulammitische…’
Ik liet de zomen uit mijn handen glippen maar draaide mij niet om
naar het blauw van het tegeltableau, en de pauwen,
naar de twee zuilen die één ingang zijn,
naar de stroming tussen beide.
Kon ik nog terug? (‘Terug, kom terug, Sulammitische…’)
Is niet de enige taak van de boodschapper: breng de boodschap?
Ik ben niet de boodschap
ongeacht welke vorst mij aan u zendt.
Ik schrijf het advies
dat na negen eeuwen aanspoelt op het adres waaraan het is ontsnapt
en eerst exotisch is, dan een gedicht, en tenslotte de adem van een arme danser
die danst voor God. Laat mij u bezien,
een engel zonder lichaam of genade,
bedenk dat niemand mij beter kent dan u
en kies. Er is geen ruimte voor afwezigheid.

Zelfs de roodborst probeert me van de bank te verjagen waar ik zit met een boek dat niet wil vlotten,
een zon die niet wil opgaan, een lied dat verdrinkt in de muntthee
die koud geworden, alleen nog meisjes/mugjes/motten lokt, geen heldere gedachten;
de schaduw van Plato blijft niet achter me op de buitenmuur overeind.

Ik zweer je, ik was zeker van de overwinning,
de laurierkrans uit de keuken lag te geuren op het aanrecht,
de dovemansoren van de dovenetel zwierden rond tussen het onkruid
van mijn wensen en verlangens: naar huis, naar huis –
maar huis was weg, weg, stof geworden, zoals wij allemaal straks – nog even wachten, het duurt niet lang, het doet geen pijn
of bijna niet, net de tandarts;
ik durf niet te kijken.
Ik keek toch. 

Is de rechtsstaat voor iedereen
of is het sappelen, zie dat je krijgt waar je recht op hebt, denk je,
of waar anderen zeggen dat zij recht op hebben,
terwijl jij het verschil niet ziet. 
Een paspoort heeft geen huidskleur,
huidskleur heeft geen paspoort,
een weg heeft hoogstens een stippellijn. In het midden.

Er vliegt een vink over de heg
zonder rekening te houden met de buren
of met de grens tussen landen en bezittingen.
Er is weinig zo mooi als de werkelijkheid
maar ik begrijp ook niet waarom ik er niet welkom ben,
alsof ik mijn toegangskaartje niet betaald had.
Ik heb dat niet betaald, dat deed mijn moeder.
Ze ligt in de aarde, tussen hier en ginder,
het is dichtbij, ik nam een handvol aarde mee,
kijk maar, dat cederhouten doosje op mijn schrijftafel,
als ik het zo mag noemen, een schriftje op m’n knie.

Weet je waar het lied is gebleven? Het lied van de lijster,
ook het lied van het korstmos, en van de egel; en de basso continuo van een ver onweer, het contrapunt
van de afdruk van een hoefijzer, drie dagen oud, in de sneeuw.
Er kleeft bloed aan.
Het bloeden van goudverf van een icoon, onder duizend kaarsen,
het bloeden van een rode jas in het ochtendlicht,
het bloed van een man die al drie dagen op de grond ligt.
Oud bloed. Zwart als drukinkt, als weerzin, als het oog van de angst,
er valt niets meer te zeggen.
Dacht ik.

Toen kwam de maan op,
in drie delen, een voor elk kwartier;
haal adem, er is geen diepte meer.
Maar:
de ekster greep in. ‘Roept!’

‘Roept, roept!’
Als niemand roept, kan het ook avond worden
en dag en middag, en weer avond;
maar ochtend wordt het niet.
Iemand moet roepen.
Iemand moet roepen, heel hard
en dan moet iemand roepen,
en iemand roept. Iemand, en iemand, en iemand
en iemand, roept.

De ekster spreidde zijn staart totdat alles diepblauw werd;
tot wij zagen dat de cumulostratus en de windvegen,
tot wij zagen dat de Wilde Jacht en de doodsoorzaken
en de onvindbare kogel en het lege bevel,
tot wij zagen dat er onder de taal,
dat er onder de taal een holte was.
Een kleine holte. Net genoeg voor de veldmuis om zich te verbergen,
voor het lied om een grondtoon te verzamelen,
voor één zonnebloemzaad dat wortelde, en uitliep, en werd vertrapt,
en zo dezelfde grond voedde die het had voortgebracht.

Ik keek naar de maan.
Ik keek naar de maan en ik nam mijn glas wijn en behendig,
als een derwisjdanser, met één hand opgeheven en één hand neer-
waarts, zo 
liet ik het vallen, drie droppels rood en zoet, en 
bevend, belegen zoals ik, eeuwig, gerijpt als God, zoals fotonen
uit de hand van de Maker: dank. Dank, mijn liefste. Ik weet nu
dat je bestaat.

Er is een weg. Ik weet niet waar die is.
Er is een weg. Ik hoor ver klokgelui,
er vaart een schip voorbij zonder dat ik het water zie,
er vliegt een reiger over zonder kaart of kompas. Of GPS.

Iemand knipte de bladeren van de maple tree uit tegen de lucht,
iemand verzamelde het licht van de sterren in een mantel,
iemand zong zachtjes over een nieuw fundament.
Zo heeft God de wereld bedoeld,
zo, dat weet ik zeker.
Niet met zekerheden maar met twijfels.
Met de schoonheid van het eeuwig ignoramus.
Met de liefde van het verloren mogen gaan.
Oh, open de deur, ik stap er in!

Want ergens is een nieuw, en altijd oud, adres.

****

DIE TAAL VAN DIE BOODSKAPPER

Op die vroeë oggend toe die gedagte om weg te gaan die neiging om te bly oorwin het, het ek hom die soom van sy kleed sien vul met rose, basilikum, hiasinte en geurige kruie. Ek het gesê: Jy weet tog, die blomme bly nie en die rooshof kom sy belofte nie na nie, en die wyse het altyd gesê: aan wat nie bly nie moet jy jou nie heg nie. (Saadi, ‘De rozentuin’ – vertaling in Afrikaans deur Annemarié van Niekerk uit de Nederlandse vertaling van J.T.P. de Bruijn)

Die jong rooi blad van die roosboom in April is alweer groen oopgesprei, fyn gekartel, ‘n skadu
vir ‘n hegmossie wat drukbesig insekte soek, pik, kakel.
Die vliegtuiggeluid hoog bo hom maak hom, soos vir my, nie onseker nie,
weg, weg, uitgesit? Of die pad huis toe, langs cumulostratus wolke, soos ’n god deur die eter
met vlerke aan die voete en ’n tirsusstaf.
Moet ek dan miskien die ontluikende klimop pluk, ’n dionisiese vers opsê, ’n plengoffer van Kretensiese wyn
uitgiet in die Roostuin, waar geen grond is om dit te ontvang,
slegs ’n ewig bevrore vyver wat veerwolke spieël?

‘Wend u, wend u, u Sulammitiese…’
Ek laat die some uit my hande glip maar draai my nie om
na die blou van die teëltablo, en die poue nie,
na die twee pilare wat een ingang is,
na die stroom tussen beide.
Kon ek nog teruggaan? (‘Terug, kom terug, Sulammitiese…’)
Is die enigste taak van die boodskapper nie: bring die boodskap?
Ek is nie die boodskap nie
ongeag watter vors my na u stuur.
Ek skryf die advies
wat na nege eeue aanspoel by die adres waarvandaan dit ontsnap het
en eers eksoties is, dan ’n gedig, en ten slotte die asem van ’n arm danser
wat voor God dans. Laat my u aanskou,
’n engel sonder liggaam of genade,
dink daaraan dat niemand my beter ken as u nie
en kies. Daar is geen ruimte vir afwesigheid.

Selfs die rooiborsie probeer my van die bank af jaag waar ek sit met ’n boek wat nie wil vlot nie,
’n son wat nie wil opgaan nie, ’n lied wat verdrink in die kruisementtee
wat koud geword het, nog net meisies/muggies/motte lok, geen helder gedagtes nie;
die skadu van Plato bly nie agter my op die buitemuur orent nie.

Ek sweer jou, ek was seker van die oorwinning,
die lourierkrans uit die kombuis het op die rak gelê en geur
die dowemansore van die dowenetel het tussen die onkruid geswier
van my wense en verlangens: huis toe, huis toe –
maar huis was weg, weg, het stof geword, soos met ons elkeen sal gebeur – nog bietjie wag, dit duur nie lank nie, dit maak nie seer nie
of byna nie, nes die tandarts;
ek durf nie kyk nie.
Tog het ek gekyk.

Is die regstaat vir almal
of is dit ‘n sukkelbestaan, kyk of jy kry waarop jy reg het, dink jy,
of waar ander sê dat hulle reg op het,
terwyl jy die verskil nie sien nie.
’n Paspoort het geen velkleur nie,
velkleur het geen paspoort nie,
’n pad het hoogstens ‘n stippellyn. In die middel.

’n Vink vlieg oor die heg
sonder om rekening te hou met die bure
of met die grens tussen lande en eiendom.
Daar is min dinge so mooi as die werklikheid
maar ek begryp ook nie waarom ek nie welkom is nie,
asof ek my toegangskaartjie nie betaal het nie.
Ek het dit nie betaal nie, my moeder wel.
Sy lê onder die grond, tussen hier en daar,
dit is naby, ek neem ’n handvol aarde saam,
kyk, daardie sederhoutkissie op my skryftafel,
as ek dit so mag noem, ’n notaboekie op my knie.

Weet jy wat van die lied geword het? Die lied van die lyster,
ook die lied van die korsmos, en van die krimpvarkie; en die basso coninuo van ’n ver onweer, die kontrapunt
van die spoor van ’n hoefyster, drie dae oud, in die sneeu.
Daar kleef bloed aan.
Die bloei van goudverf van ’n ikoon, onder duisend kerse,
die bloei van ’n rooi jas in die oggendlig,
die bloed van ’n man wat al drie dae lank op die grond lê.
Ou bloed. Swart soos drukink, soos weersin, soos die oog van angs,
daar is niks meer om te sê nie.
Het ek gedink.

Toe het die maan opgekom,
in drie dele, een vir elke kwartier,
haal asem, daar is geen diepte meer nie.
Maar:
die ekster gryp in. ‘Roep!’

‘Roep, roep!’
As iemand roep, kan dit ook aand word
en dag en middag, en weer aand;
maar oggend word dit nie.
Iemand moet roep.
Iemand moet roep, baie hard
en dan moet iemand roep,
en iemand roep. Iemand, en iemand, en iemand
en iemand, roep.

Die ekster het sy stert gesprei totdat alles diepblou was;
tot ons gesien het dat die cumulostratus en die windvlae,
tot ons gesien het dat die Wilde Jag en die doodsoorsake
en die onvindbare koeël en die leë bevel,
tot ons gesien het dat daar onder die taal,
dat daar onder die taal ’n holte was.
’n Klein holte. Net genoeg vir die veldmuis om weg te kruip,
vir die lied om ’n grondtoon te versamel,
vir een sonneblomsaad wat wortel geskiet het, en uitgeloop het, en vertrap is,
en so dieselfde grond gevoed waaruit dit voortgekom het.

Ek het na die maan gekyk.
Ek het na die maan gekyk en ek het my glas wyn geneem en behendig,
soos ’n derwisjdanser, met een hand opgehef en een hand na-
onder, so
het ek dit laat val, drie druppels rooi en soet, en
bewend, beleë soos ek, ewig, geryp soos God, soos fotone
uit die hand van die Maker: dankie. Dankie, my liefste. Ek weet nou
dat jy bestaan.

Daar is ’n weg. Ek weet nie waar dit is nie.
Daar is ’n weg. Ek hoor ver klokgelui,
daar vaar ’n skip verby sonder dat ek die water sien,
daar vlieg ’n reier oor sonder kaart of kompas. Of GPS.

Iemand het die blare van die esdoring uitgeknip teen die lug,
iemand het die lig van die sterre in ’n mantel versamel,
iemand het saggies gesing oor ’n nuwe fondament.
So wou God die wêreld hê,
so, daarvan is ek seker.
Nie met sekerhede nie maar met twyfels.
Met die skoonheid van die ewige ignoramus.
Met die liefde van om verlore te mag gaan.
Ooh, maak die deur oop, ek stap in!

Want iewers is ’n nuwe, en altyd ou, adres.

(Vertaald uit het Nederlands door Annemarié van Niekerk)

***
160527-MariavanDaalen-tuin-NIAS-gedicht-Ooteootoe1Bovenstaand gedicht werd door Maria van Daalen geschreven in opdracht van NIAS, een instituut van KNAW, voor de bijeenkomst op 27 mei 2016 ter gelegenheid van het afscheid van haar locatie in Wassenaar. Het gedicht begon met de gedachte aan de op handen zijnde verhuizing van Wassenaar naar Amsterdam, maar waaierde al snel uit naar alle migratie. De foto van de tuin van het NIAS in Wassenaar werd op 27 mei gemaakt door de dichter.

 

160527-MariavanDaalen-tuin-NIAS-gedicht-Ooteootoe2

 
 
 
 
 
 
 
 
 

About the Author

- Rozalie Hirs is redacteur van de LL-serie (Lage Landen-serie) en Vertaallab op Ooteoote. Daarnaast is zij dichter van boeken en digitale media. Zie ook www.rozaliehirs.nl.