Gepubliceerd op: vrijdag 29 mei 2015

Do you like Athens? – Bericht uit Athene 3

“Do you like Athens?” “Yes” antwoord ik op de vraag die me geregeld gesteld wordt. “Of course” vervolg ik, terwijl ik het pathos in de woorden leg dat ik zo charmant vind aan het Griekse Engels. En het is waar, ik zou er willen blijven. Soms denk ik na hoe ik mijn verblijf hier ‘sustainable’ zou kunnen maken. Britse vrienden in Athene geven bijvoorbeeld privélessen Engels. Inclusief Britse uitspraak. Ik zin op mogelijkheden.

Giannis zegt: “We zijn allemaal bezig om ons leven hier ‘sustainable’ te maken.” Maar velen vertrekken.

Ik ben hier in de eerste plaats omdat ik de effecten van de crisis in Griekenland wil registeren. Ze zijn niet mals, en ik kom ze regelmatig tegen. Er begint iets te rommelen in mijn onderbuik als ik mij realiseer dat het me ‘wel bevalt’ in Griekenland. Ik ben als een reiziger die zich in Nederland waant tijdens een overstap op Schiphol. Ik sta niet bloot aan de Griekse staat met zijn bureaucratie, het gebrek aan middelen en de levensbedreigende bezuinigingen die op de Griekse burgers afkomen. Ik hoor verhalen aan, en vertrek over een poosje. Ik ben een gezegende Nederlandse bezoeker.

Onderkomen van een dakloze onder de boulevard in Piraeus

Het leven ‘sustainable’ maken in een land dat alles behalve houdbaar is. Er zijn velen die op de één of andere manier hun leven kunnen voortzetten, met geld uit het buitenland, een goede positie of door een rijke familie. Maar op andere momenten spreekt alles juist van onhoudbaarheid,  balanceren mensen op de rand van faillissement en staan ze onbeschermd tegenover zo’n beetje alle denkbare risico’s. Ik heb het soms maar heel even door. Bijvoorbeeld bij een vriendin die in een bijzin opmerkt dat ze op geen enkele manier verzekerd is. Of de verhalen van jongeren die voor een habbekrats moeten werken, en in korte werkprojecten zonder sociale zekerheid zitten, of worden ontslagen voor ze een vaste aanstelling krijgen. In de metro staar ik met alle anderen naar de grond als er weer iemand schreeuwend zijn armoede beschrijft en pakjes zakdoeken of ballpoints probeert te verkopen. Een vriend zegt dat Roma-bedelaars door een mafia gecontroleerd worden en maar een deel van hun geld mogen houden. Ik lees over gezinnen die op oma’s pensioen van 350 euro leven. Ik loop over een plein in mijn buurt waar nauwelijks gekleurde immigranten komen nadat het eerder door privé-legertjes van neonazi’s werd ‘schoongeveegd’.

Ik wil de situaties benoemen. Deze verhalen tot Europese verhalen maken, om onze houdbaarheid te onderzoeken. Het moet niet enkel gaan om persoonlijk leed – dat kan peilloos diep zijn. Dat die diepte nooit in te schatten is, begrijp ik als ik op een avond bier drink met twee bootvluchtelingen uit Syrië. Ze noemen hun overtocht naar Lesbos een goed avontuur. Ze vertellen dat ze de eerste keer geweigerd hebben om op te stappen en dat ze onderhandeld hebben over het type boot dat afgesproken was. Ik had niet gehoord over zulke bootvluchtelingen. Ik wist niet dat ze van plan zouden zijn een hip koffiebarretje te openen, ergens in een stad in Noord-Europa. Maar als ze vertellen over de duizenden euro’s die ze hebben uitgegeven aan paspoorten, tickets en overtochten, en als ze met liefde praten over het nachtleven van Damascus, voor de oorlog, dan vermoed ik kanten aan het verhaal die ik niet gehoord heb.

Het zijn niet mijn verhalen, maar hoe zou ik onderscheid kunnen maken? Ze blijven hangen in mijn geheugen. Ze hechten zich aan mijn lichaam als ik de hand van een van de jongens op mijn schouder voel wanneer we afscheid nemen. Alle verhalen lopen door elkaar, en ze schuren tegen elkaar. Mijn verhaal over een humanitaire crisis schrijf ik in een café met smetteloze hipsters. Ik ben in Athene, maar ik ben op bekend terrein. Het café is leuk, al wordt de buurt gegentrificeerd. Ik vind de hipstercultuur een uiting van apolitiek stijlfetishisme, maar ik vertoon er trekken van. Ik maak deel uit van het probleem. Ik begrijp de wereld als een middenklasser, en ik ben gemaakt om geconsumeerd te worden. Ook hier. Dit is niet houdbaar.

Ik praat over ziekenhuizen, en stel mij voor wat ik zou doen. Ik zou in geval van nood mijn reisverzekering bellen. Veel immigranten kunnen alleen naar sociale klinieken of naar iets als Doctors of the World. Mensen met een status of Griekse nationaliteit kunnen voor noodgevallen naar het ziekenhuis. Verzekerden kunnen in het ziekenhuis behandeld worden. Ze moeten ongeveer een half jaar wachten, en zelf verband meenemen. Familie moet taken van de verpleegkundigen overnemen of een privéverpleegkundige inhuren. Voor elke 45 patiënten is er één verpleegkundige. Ik heb een reisverzekering, en zou een betere behandeling krijgen. Ik wil een betere behandeling, maar ik wil ook dat anderen niet slechter behandeld worden.

Ik zoek naar een narratief om uit te drukken wat hier gebeurt. Een die recht doet aan de complexiteit van de plaats, en die contrasten en nuances in zich bergt. Maar alles zeggen is onmogelijk. En zodra ik mijn observaties tot verhalen reduceer, kunnen ze geconsumeerd en toegeëigend worden. Ik zoek naar een anti-narratief, een niet te verteren oorlogstaal. Een taal die oog-in-oog doet staan met onbevattelijkheid. Een taal die ons houdbaarheidsgeloof geweld aan doet. Misschien is het dat ik begin te geloven dat taal hier iets anders kan betekenen. Op mijn onderzoekslocatie is een avond over de Griekse geschiedenis van actievoeren. En ik weet dat ze zich ook nu weer organiseren; ze houden het niet bij woorden, maar staan voor de winkel waar een zwangere vrouw ontslagen is. Ze krijgen dingen gedaan.

Maar Maria zegt: “Het is niet leuk om altijd over de crisis te praten.” We roken een sigaret en hebben het over andere dingen. Ik denk dat ze gelijk heeft, en dat ik vergat om het over haar te hebben. Misschien zijn zulke dingen belangrijker dan ik denk. Het samenzijn, het plezier hebben. De crisis niet als leidraad van iemands leven zien, maar iemands leven als uitgangspunt nemen. Misschien zit hier duurzaamheid in. Ik schrijf in mijn notities over wat ik mooi vind aan Griekenland: “Ook mannen geven elkaar hier twee zoenen bij begroeting”, en “Aanraking is niet zo taboe: jongens zitten soms aan elkaar, lopen soms gearmd”. Ik zit in een park, en geniet van de zon en de vogels. Misschien zijn ook dit politieke daden. Ik vind het fijn om hier te zijn.

About the Author

- Herbert Ploegman is antropoloog en redacteur bij Tijdschrift Kunstlicht, en tot voorkort bij Perdu. Hij doet momenteel onderzoek naar materialiteit in grassroots praktijken in Athene.