Gepubliceerd op: maandag 9 februari 2015

Pfeijffer: We zullen moeten leren zeggen hoe het is.

Maar vrienden, lieve dichtertjes van Nederland
en België, ik moet met jullie praten. Want
het weer is omgeslagen. Winter komt. De nachten
ontbloten zich bezweet met woelende gedachten.

(Idylle #7, vers 1 – 4)

Aldus begint Idylle #7 uit de nieuwe bundel van Ilja Leonard Pfeijffer. Opvallend is het beginwoord: ‘Maar’. Dat gebruiken we in het Nederlands om een reactie te geven op iets wat vooraf ging. En dat is hier niet zo, want dit is het begin. Weliswaar staan er zes gedichten voor deze in de bundel, maar deze ‘Maar’ lijkt daar geen reactie op te zijn. Het aanspreken van de ‘lieve dichtertjes van Nederland en België’ geeft ons enige indicatie waarop het dan wel een reactie is: op de poëtische praktijk binnen ons taalgebied.
Daarnaast introduceren deze vier versregels aan het begin de metafoor van een omgeslagen klimaat en stelt een ‘Winter’ in het vooruitzicht. Dit is een metafoor die verschillende keren in het gedicht naar voren komt.
Tenslotte introduceren deze beginregels een ander belangrijk begrip binnen dit gedicht: angst. In deze beginverzen is de angst nog impliciet als een onrust van iemand die niet kan slapen van de ‘woelende gedachten’, of misschien is wakker geschrikt van een nachtmerrie. Maar enkele verzen hierna lezen we: ‘De angst // is van de bange dingen wel het allerbangst.’

Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie.

(Idylle #7, vers 21 -26)

Hier maakt Pfeijffer expliciet wat besloten lag in zijn ‘Maar’ aan het begin van dit gedicht: de dichtpraktijk in de Lage Landen moet anders. De ‘verwondering’ en ‘ontroering’ laat hij gekruist in het volgende vers terugkomen als voltooid deelwoorden. Hierdoor krijgt de grammaticale zin iets koddigs en gekunstelds. En drijft aldus des te effectiever de spot met twee belangrijke poëtische opvattingen. Eentje die sinds de romatiek bestaat waarin de dichter vooral emoties moet verwoorden. En eentje die sinds het modernisme bestaat waarin de dichter vooral de bestaande werkelijkheid in een nieuw licht moet tonen. Het is duidelijk wat Pfeijffer daarvan vindt: op zijn best is het niet genoeg, maar het is vooral een herhaling van zetten omdat het ‘op alles lijkt // wat eerder al’ was. En het ‘ten onrechte’ gaat zelfs nog een stap verder: het is niet alleen niet genoeg, het is geen echte poëzie, het werd alleen ‘aangezien voor poëzie’.

En Pfeijffer heeft in dit gedicht nog wel meer te zeggen over de dichtcultuur binnen ons taalgebied. Hij hekelt de ons-kent-ons mentaliteit van het poëziekringetje: ‘Terwijl we slechts ons eigen tijdverdrijf creëren // en luid op eigen borst en elkaars smoelen slaan, // weergalmt geschut achter achter de kim.’ Het zou beter zijn, aldus Pfeijffer, om ons niet op elkaar te richten, maar op het ‘geschut’. Laten we aannemen dat hij daarmee bedoelt dat we ons moeten richten op oorlog en misstanden. Op echte maatschappelijke thema’s. Dus geen navelstaarderij meer. Geen ingewikkelde gedichten, zoals hij in het volgende fragment betoogt. En daarbij ook de hand in eigen boezem steekt:

Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.

(Idylle #7, vers 47 – 53)

Een oproep voor een dichtkunst die niet gekunsteld is, maar klare taal spreekt. En dat is met name opvallend omdat Pfeijffer zo’n veertien jaar geleden het essay De mythe van de verstaanbaarheid in Bzzlletin publiceerde. Daarin verdedigde hij de stelling Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie. Maar veertien jaar is een lange tijd en zijn mening is nu duidelijk anders.
Pfeijffer is er inmiddels van doordrongen, lezen we enkele verzen verderop, dat mensen ‘aan alles echt behoefte hebben // behalve aan wat zekerheden weg doet ebben.’ Dit gedicht besteedt vooral veel aandacht (lees: verzen) aan hoe de dichtpraktijk volgens Pfeijffer niet moet. Toch geeft het daarnaast ook wel aanwijzingen over hoe het wel zou moeten. We zagen het ‘geschut’ al. Ook noemt hij de naam van Friedrich Nietzsche en laat hij zich ontvallen: ‘we zijn de door de evolutie afgelosten’. Blijkbaar is het voor een dichter als Pfeijffer interessant om bezig te zijn met hoe de mens als soort zich ontwikkelt en wat de toekomst gaat brengen. Daarnaast geeft hij met ‘De dichters zullen zingen bij de bange vuren // of niet meer dichters zijn.’ aan dat klank en voordracht voor de dichtkunst weer belangrijker gaan worden dan de geschreven vorm. Dat is waarschijnlijk waarom hij dit gedicht, net als alle andere in de bundel, heeft geschreven als een hedendaagse invulling van een klassieke vorm. Pfeijffer gebruikt een direct gepaard eindrijm. De versregels zijn elk zes jamben lang. Toch zou ik deze vorm niet klassiek willen noemen. Daarvoor treden er te veel enjambementen op, waardoor de rijmwoorden niet altijd goed uitkomen. Ook vergt het verbinden van de grammaticale zinnen de lezer af en toe behoorlijk wat werk. De manier waarop Pfeijffer disjuncte zinnen en elementen naast elkaar zet, duidt zeker op een dichter van onze tijd.

Het onweert. Of is dat de hoefslag van de horden
die stof opwerpen van het zuiden tot het noorden
en oceanen met hun woede zullen keren
dat droog land stille zee wordt en de steden meren,
de automaten ijs verstrekken en ons geld
als almaar vallend stof niet langer wordt geteld?

(Idylle #7, vers 71 – 76)

Deze passage is misschien wel de meest duidelijke over welke onderwerpen Pfeijffer op het oog heeft voor de maatschappelijke betrokkenheid die hij voorstaat. De verontreiniging die tot klimaatverandering leidt. En uit de laatste verzen van dit fragment proef ik ook een verwijzing naar het IceSave debacle en de financiële crisis.
Aan het einde van het gedicht richt Pfeijffer zich net als in het begin tot de dichters van Nederland en België. En hij doet nogmaals zijn oproep tot poëzie in klare taal die zich bezighoudt met zaken die echt van belang zijn:

Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland
en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant.
Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen.
Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?

(Idylle #7, vers 83 – 86)

About the Author

- Jeroen vertaalt poëzie en kinderboeken. Daarnaast schrijft hij essays over poëzie. Hij is redacteur van ooteoote.nl.