Gepubliceerd op: dinsdag 25 maart 2014
Essay / Perdu | Door Perdu

Wat knaagt er in het werk van Fritzi Harmsen van Beek?

Op 21 maart 2014 organiseerde de Avondenredactie van Perdu een avond over het werk van Fritzi Harmsen van Beek. Redacteur Anne Becking schreef de onderstaande inleiding. Zij opende met een voordracht van het gedicht Twee Raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt.

Inleiding bij FtHvdB

Voordracht: Raadselrijmen

P1020690

Goedenavond, welkom bij deze avond over het werk van Fritzi Harmsen van Beek. Het boek met haar verzameld werk is niet erg dik – er kwam een handjevol publicaties van haar uit, twee dichtbundels (Geachte Muizenpoot en Achttien Andere Gedichten en Kus of ik schrijf), twee verhalenbundels (Wat knaagt? en Neerbraak) en dan nog twee boeken waarin verhaal, beschouwing en illustratie alle drie een even grote rol spelen (Gewone Piet en Andere Piet en Hoenderlust). Dat is werk waar we het over kunnen hebben omdat we het terug kunnen lezen, maar er is wat mij betreft geen absoluut verschil tussen dat werk en het andere, niet-overgeleverde werk dat ze deed, vele losse tekeningen bijvoorbeeld, maar bijvoorbeeld ook een minikoetsiertje met een zweepje gemaakt van een kattensnorhaar.

Harmsen van Beek is een schrijfster voor wie bij leven, en na haar dood (ze overleed nu bijna 5 jaar geleden, begin april 2009, ze werd geboren in 1927) heel veel bewondering was, en is, maar die blijft vaak beperkt tot het biografische. Vaak nogal verliefderig, naar aanleiding van tot de verbeelding sprekende verhalen over haar persoon, het grote vervallen huis waar ze woonde, de feesten, de drank en de mannen. Soms blijft het hebben over haar werk ook beperkt tot het benoemen van de verregaande verliefde bewondering die ze oogstte. Of het blijft beperkt tot een typering van haar werk als virtuoos, vol taalgevoel en taalgrapjes (soms een beetje vermoeiend wegens de vele taalgrapjes) en boven alles de typering als onbegrijpelijk – en juist daarom zo betoverend. Soms wordt de betekenis ervan zelfs gezocht in de ongrijpbaarheid ervan, of in de onbegrijpelijkheid – dat haar werk vooral betekenis zou saboteren.

Nu denk ik dat dat niet zo is. Wel spreekt er uit haar werk een zeker wantrouwen ten overstaande van al te dichtgetimmerde interpretatie. Zoals in het titelverhaal uit haar verhalenbundel Neerbraak: ‘Natuurlijk kan men, vanuit een zekere zelfvermeende of wezenlijke overwichtigheid, bij menig raadsel dat om uitleg schreeuwt, het best volstaan met kortweg te verklaren: Het is er een (een wat dan ook) gewoon.’

Moeten we het werk dan maar gewoon laten bestaan, het voorlezen en het er verder niet over hebben, het laten zijn wat het is gewoon? Een antwoord op die vraag komt met een omweg tevoorschijn door het te hebben over het thema ‘onzin’.

Dat thema komt ook ter sprake in een televisiegesprek dat HvB in 1981 met H.A. Gomperts had, in het VPRO-programma ‘De Letteren’. In dat gesprek vraagt hij haar op een gegeven moment naar de betekenis van haar werk. Haar taalgebruik, zo zegt hij, is zeer ongebruikelijk, en veel mensen weten daarom niet goed hoe ze haar gedichten moeten begrijpen. Nu heeft ze zelf wel eens gezegd dat het misschien ook wel allemaal onzin is, maar dat kan ze toch eigenlijk niet vinden van iets waaraan ze zoveel aandacht en tijd besteedt? Harmsen van Beek antwoordt hierop dat haar werk inderdaad misschien wel onzin is. Maar ze nuanceert dat vrijwel direct: ‘Nou, ik zou het eigenlijk prettig vinden om mezelf wijs te kunnen maken en hartstochtelijk te geloven dat het inderdaad onzin is en dat ik het tóch doe, voor de onzin gewoon.’ Ze vergelijkt haar werk met schilderingen op verborgen plekken in kathedralen – niet bedoeld om ooit gezien te worden, maar wel versierd. Ze vergelijkt het met tekeningen op een ijsruit (tekeningen die na een uur alweer gesmolten zijn), met het beschilderen van een bij voorbaat ten dode opgeschreven paasei.

In het interview lopen verschillende vormen van ‘onzin’ door elkaar.
Onzin als tegenovergesteld aan betekenisvol, de betekenis van haar gedichten, de betekenis van schrijven-in-het-algemeen, als bezigheid.
En onzin als tegenovergesteld aan serieus, aan ernstig.

Het is verleidelijk om het werk van Harmsen van Beek onserieus te noemen. Dat ís het ook, wanneer ernst betekent dat poëzie geschreven is in speciale poëzie-achtige woorden, en niet in de combinatie van parlando-vertellende alledaagse woorden en overduidelijk kunstig gemanipuleerde – en in die zin dus wel poëtische – taal (de spaties tussen ‘O’ en ‘verleden’ en ‘O’ en ‘verleefd’).
En wanneer ernst betekent dat er in een gewijde sfeer gedacht en geschreven wordt over het Leven en de Dood – omdat de dood nu eenmaal zo’n zwaar onderwerp is dat er geen grapjes mee gemaakt mogen worden. Het is ook onserieus in die zin dat er geen gedachten worden geformuleerd die afgebakend zijn, die terug te voeren zijn op abstracte begrippen, die leiden tot een beetje uitstel van sterfelijkheid.

Zulk uitstel wordt bij Harmsen van Beek niet verleend, en dat maakt haar werk juist uitermate serieus. Sterfelijkheid en vergankelijkheid spelen een grote rol in haar werk, maar het zijn bij haar geen abstracte begrippen die deel uitmaken van een abstracte hiërarchie. Het gaat om de overweldigende ervaring van de praktijk van vergankelijkheid. Zo overweldigend is die ervaring dat je – al dan niet af en toe – graag zou willen en hartstochtelijk geloven dat er een ontsnapping mogelijk was. Dat je werkelijk onzinnige dingen kon schrijven, voor de onzin gewoon. En daarmee, ultiem, buiten de categorieën van zin en onzin te stappen.

Nu gaat het niet alleen over vergankelijkheid in dit werk. Een van de sprekers van vanavond, Peggy Verzett, zal hier nog verder op ingaan. Vergankelijkheid is slechts één aspect van waar het in dit werk om gaat, opbouw van identiteit is een ander aspect ervan, de andere kant van de medaille zogezegd. De identiteit van dingen, dieren, mensen en gedachten wordt niet neergezet als afgerond, volkomen, afgebakend – om dan vervolgens te gaan vervallen – maar de dingen zijn fundamenteel onafgebakend, instabiel, fundamenteel tijdelijk. Om terug te komen op de Raadselrijmen van daarnet:

in
vroeg of laat ben ik een ogenblik waarachtig
bepaald en verduurzaamd door wie mij ver gezelde
en even mede plichtig aan die kortstondigheid.

Opvallend is trouwens dat in dat interview Gomperts het ‘zou willen’ niet lijkt op te merken wanneer Harmsen van Beek zegt dat ze het eigenlijk wel prettig zou vinden om zichzelf ‘wijs te kunnen maken en hartstochtelijk te geloven dat het inderdaad onzin is’; hij hoort alleen het woord ‘onzin’. Dat lijkt me typisch voor de omgang met het werk van Harmsen van Beek: dat het erg gemakkelijk is om het te hebben over de onzinnige en vaak heel grappige eerste indruk ervan, en dat de duistere kant ervan moeilijker bespreekbaar is. Tegelijk speelt die duistere kant denk ik ook een rol in wat mensen er aantrekkelijk aan vinden. Dat is wat ik hoop dat er vanavond gebeuren kan, het hebben over de duistere kant en de lichte kant van dit werk. Het idee van wat een dichtgetimmerde interpretatie zou zijn links te laten liggen, en zo dichterbij te kunnen komen, bij de betekenis van wat het is – ‘wat het dan ook is, gewoon’.

Om het te hebben over het gewone en het vreemde – het vreemde niet als ervaring buiten het alledaagse, maar juist door de alledaagsheid ervan onontkoombaar.
Om het te hebben over het erotische, op een manier die verder gaat dan het proberen te bedenken over welke minnaar dit gedicht gaat, en over welke minnaar dat gedicht.
Om het te hebben over de manier waarop dit werk persoonlijk is, zonder dat het lezen ervan zich terug moet plooien op het biografische.
Om het te hebben over vergankelijkheid, verval en de dood – de manieren die we kunnen ontwikkelen om daarmee om te gaan, zonder dat de dood als vaststaand abstract begrip eindigt, en daarmee overwonnen lijkt.

Sprekers van vanavond zijn de drie dichters Peggy Verzett, Alfred Schaffer en Bernke Klein Zandvoort. Omdat ik overeenkomsten zie tussen hun werk en het werk van HvB, ik heb alledrie gevraagd om een nieuw gedicht te schrijven naar aanleiding van het lezen van het werk van HvB. Dus niet: doe haar na, maar: wat doet het lezen van dat werk met jou als dichter. Ze zullen die gedichten vanavond voorlezen, en een gedicht of verhaal van HvB, en daarbij een kleine beschouwing.

– Anne Becking

About the Author

-