Gepubliceerd op: donderdag 23 mei 2013

Vertaallab 43 Joe Hall – Trailer Park, Homes, Our Lady of Supreme Happiness

 

TRAILER PARK

 

In an algorithm of trees exploding in your face, shaved from soap
in a prison cell, in a pair of yellow finches
alighting from high power lines over all these dudes
lying on their beds, palming their cocks, waiting for me
leached from circuits in a baroque array of evolving graphical
representations of a black economy, cancer, subverting process, O Beast! O Christ!
in the mother fucking sound and mother fucking light
the iterations of thunder, the bass so high
it hurls you into the grass, Beast!
Only imminent, you cannot be found, waiting to subsume, fuck up
them cities, bring murder into the bridal chamber
and force armies to copulate in the killing field mud
Delete all images of yourself, crash this party, sink this continent
To petrify latitudes of soy and corn
to perform plastic surgery on everyone
beating to death the letter B while the rest of the alphabet watches
in a berserk horizon scouring clarity, Christ!
I will wait until I am the viscous core of three huge spinning heads
ten wasps in a monitor, a sweating cradle of fat
a bursting parabola of orange-yellow cubes called flowers
ten thousand livers whiffled like flutes secreting
shrines in dissolvable capsules
I will wait until I am an iron rake with a broken tooth biting
through the throat of this soil
I will not break down my tent
I will not follow a sign
I will wait until I am a singing corpse
being dragged across this landscape—O Beast! O Christ!
You are a lamb

 

*

 

HOMES

 

Flocking power, resonance, pool—gliding
through, I have brought you a peach

And you move toward it, station by station
Post by toppled border post

What do words mean to you?
Should I have said Speech? I have brought you a peach

And, I, too, am moving toward you, who I believe
Through heavy, roving lights and what is almost

How the ocean smells—House by house
Basement to top floor then trailer

Though I do not know when we will meet
If everything you reside in is sundered

Every cinderblock and stone, every burdock, two footpaths
Crossing pines and fire lingering

If I am unfaithful, set loose, again and again
Fractured, that escalation

I’ll be gone, you’ll be gone
Every Tuesday

Every remember
You kissing me between the neck

And shoulder, resting there
Raises itself on and above, this contract

Those insects spilling from his mouth
We could still sleep last night

And those dreams I’d have of digging deeper
Into the earth, the caverns of clean, even minerals

Clinging—the neighborhood
The sewer pipes, mailbox, tap water

And electricity so much dark, piled olivine
Where you appear

In a hood of flames in the crown of a tree
Live power lines whipping around you

And my body in this sleeping bag moves closer to you
Lemon Balm, and you say in this tent

That on its legs that carry us aloft
After so much scrambling

It is right to kill
That which takes what holds us

Because that is us
And we are nothing but that

I think that is what you said
It is hard to understand

What fire is speaking

 

*

 

OUR LADY OF SUPREME HAPPINESS

 

In the theater my silver wrists divide into almond tree
branches. They flower. I leave, I can’t remember
the movie. When I begin praying to you
Mary, you are an icon carved
from a yellow tusk, you become
a horn thickened by milk, then a garlic clove
When I finish praying
you are still here, a flame
ranging roof to roof, the scent
of burning almonds blossoms. To live
is to borrow, and if we borrow
to live, then all life must be
a heap of trash, so rejoice

 

___

Joe Hall

Joe Hall was born in the woods and is devoted to Cheryl. His three books are Pigafetta Is My Wife (Black Ocean 2010), The Devotional Poems (Black Ocean 2013), and, in collaboration with Chad Hardy, The Container Store Vols I & II (SpringGun 2012). He currently resides in Buffalo, New York.

Bovenstaande drie gedichten zijn een selectie uit Hall’s onlangs verschenen bundel The Devotional Poems. Met dank aan Joost Baars. Lees het eerste verslag door Joost Baars over poëzie in New York hier.

Joe Hall

About the Author

- Rozalie Hirs is redacteur van de LL-serie (Lage Landen-serie) en Vertaallab op Ooteoote. Daarnaast is zij dichter van boeken en digitale media. Zie ook www.rozaliehirs.nl.

Displaying 3 Comments
Have Your Say
  1. Joost Baars zegt:

    Woonwagenkamp

    In een bomenalgoritme dat ontploft in je gezicht, met zeep geschoren
    in een bajescel, in een paar gele vinken die
    van luchtleidingen neerstrijken op al die kerels
    die op hun bedden aan hun pik liggen te trekken, wachten op mij
    uit schakelingen gelekt in een barokke rij van veranderende expliciete
    representaties van een zwarte economie, kanker, voortgangondermijnend , O Christus! O Beest!
    in de tering tyfus klank en het tering tyfus licht
    de donderuitingen, de bas zo hoog
    dat hij je op het gras smijt, Beest!
    Enkel immanent, bent u onvindbaar, klaar om te klasseren, naar de kloten
    met die steden, laat moord de bruidskamer binnengaan
    en dwing legers te copuleren in de modder van het dodenveld
    Wis alle afbeeldingen van jezelf, val dit feestje binnen, verdrink dit continent
    Om hectares mais en soja te verstenen
    om iedereen plastische chirurgie te laten ondergaan
    de letter B afmaken terwijl de rest van het alfabet toekijkt
    in een waanzinnige horizonreinigende klaarheid, Christus!
    Ik zal wachten tot ik de boosaardige kern ben van drie enorme draaiende hoofden
    tien wespen in een monitor, een zwetende wieg met vet
    een knappende parabool van oranjegele blokjes die bloemen heten
    tienduizend levers bespeeld als fluiten verduisteren
    zerken in oplosbare capsules
    Ik zal wachten tot ik een ijzeren hark ben met een gebroken tand die
    de strot van deze grond doorbijt
    Ik zal mijn tent niet afbreken
    Ik zal geen teken opvolgen
    Ik zal wachten tot ik een zingend lijk ben
    die door dit landschap wordt gesleept – O Christus! O Beest!
    U bent een lam

    • Joost Baars zegt:

      Ik zie dat ik een beetje slordig ben geweest met de je’s en de u’s. Dus:

      Woonwagenkamp

      In een bomenalgoritme dat ontploft in uw gezicht, met zeep geschoren
      in een bajescel, in een paar gele vinken die
      van luchtleidingen neerstrijken op al die kerels
      die op hun bedden aan hun pik liggen te trekken, wachten op mij
      uit schakelingen gelekt in een barokke rij van veranderende expliciete
      representaties van een zwarte economie, kanker, voortgangondermijnend , O Christus! O Beest!
      in de tering tyfus klank en het tering tyfus licht
      de donderuitingen, de bas zo hoog
      dat hij u op het gras smijt, Beest!
      Enkel immanent, bent u onvindbaar, klaar om te klasseren, naar de kloten
      met die steden, laat moord de bruidskamer binnengaan
      en dwing legers te copuleren in de modder van het dodenveld
      Wis alle afbeeldingen van jezelf, val dit feestje binnen, verdrink dit continent
      Om hectares mais en soja te verstenen
      om iedereen plastische chirurgie te laten ondergaan
      de letter B afmaken terwijl de rest van het alfabet toekijkt
      in een waanzinnige horizonreinigende klaarheid, Christus!
      Ik zal wachten tot ik de boosaardige kern ben van drie enorme draaiende hoofden
      tien wespen in een monitor, een zwetende wieg met vet
      een knappende parabool van oranjegele blokjes die bloemen heten
      tienduizend levers bespeeld als fluiten verduisteren
      zerken in oplosbare capsules
      Ik zal wachten tot ik een ijzeren hark ben met een gebroken tand die
      de strot van deze grond doorbijt
      Ik zal mijn tent niet afbreken
      Ik zal geen teken opvolgen
      Ik zal wachten tot ik een zingend lijk ben
      die door dit landschap wordt gesleept – O Christus! O Beest!
      U bent een lam

  2. Joost Baars zegt:

    Onze vrouwe van opperste gelukzaligheid

    In de bioscoop ontspruiten mijn polsen in amandelboom-
    takken. Ze bloeien. Ik vertrek, ik ben vergeten
    uit welke film. Als ik tot u begin te bidden
    Maria, bent u een ikoon gesneden
    uit een gele slagtand, wordt u
    een hoorn met melk verdikt, dan een knoflookbol
    Als ik klaar ben met bidden
    bent u er nog, een vlam
    reikend van dak tot dak, de geur
    van brandende amandelbloesem. Leven
    is lenen, en als we lenen
    te leven, dan moet heel het leven
    een berg vuilnis zijn, dus verblijd u