Gepubliceerd op: zaterdag 16 maart 2013

TPB AFK

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onlangs zond de VPRO de documentaire The Pirate Bay. Away from Keyboard (Simon Klose, 2013) uit. Daarin volgen we Gottfrid Svartholm, Peter Sunde en Fredrik Neij, de voormannen van ’s werelds grootste filesharingsite: The Pirate Bay. Deze site indexeert zogeheten torrentlinks, een systeem waarmee je gratis peer-to-peer-gegevens kunt uitwisselen, zoals muziek, games en films. In 2008 spannen Hollywood en de media-industrie een rechtszaak aan tegen de whizzkids (die aan alle clichés blijken te voldoen), omdat ze volgens eigen zeggen miljoenen aan inkomsten mislopen.

Hoewel ik vind dat het auteursrecht bescherming verdient, kon ik een gevoel van sympathie voor het drietal toch niet onderdrukken. Hun verhaal kent een hoog David en Goliath-gehalte en draait tegelijkertijd om een generatieconflict. Waar de oudere generatie vasthoudt aan juridische geplogenheden over mijn en dijn, daar geloven deze jongeren in een vrije informatiemaatschappij, waarin het onbelemmerd down- en uploaden van cultuurproducten wettelijk geoorloofd is. De Zweedse Missionary Church of Kopimism gaat zelfs nog een stapje verder door het recht op kopiëren heilig te verklaren.

Deze counterculture manifesteert zich mooi in het taalgebruik (en dus het denken) van de piraten. Als een van de magistraten tijdens het proces vraagt wanneer de leden van The Pirate Bay elkaar voor het eerst IRL (‘In Real Life’) hebben ontmoet, krijgt hij als antwoord dat de courante uitdrukking AFK (‘Away From Keyboard’) luidt. Beide acroniemen lijken op het eerste gezicht inwisselbaar en aan mode onderhevig, maar er bestaat een fundamenteel verschil: voor Gottfrid, Peter en Fredrik is internet even ‘echt’ als de analoge werkelijkheid.

Vreemd genoeg staan ze evenwel nauwelijks stil bij de materiële verankering van de beelden en tekens die de gebruikers van The Pirate Bay eindeloos herhalen, uitwisselen en consumeren. Alsof er achter de muziek en films geen echte mensen schuilgaan die met de verkoop daarvan hun brood proberen te verdienen. In die zin lijken ze zich in een soort baudrillardiaanse hyperrealiteit te bevinden, waarin het onderscheid tussen feit en fictie, kopie en origineel niet meer bestaat.

Aanvankelijk tonen de piraten zich niet zozeer geïnteresseerd in dit soort vraagstukken. Ze blijken vooral warm te lopen voor de technologisch-expansieve mogelijkheden van hun project (dat daardoor uiteraard op de warme belangstelling van adverteerders kan rekenen). Ook het kat-en-muis-spelletje met de autoriteiten ademt in eerste instantie een onbekommerd anarchisme uit, dat eerder lijkt voort te komen uit jeugdige hybris en balorigheid dan uit een doordacht politiek-maatschappelijk programma. Hun leidmotief vinden ze in een nogal absolute definitie van de vrijheid van meningsuiting.

Documentairemaker Simon Klose sympathiseert met de oprichters van de The Pirate Bay. Ook hij vindt het auteursrecht sterk achterhaald. Door zijn film gratis op internet beschikbaar te stellen wil hij niet alleen een statement maken richting Hollywood, maar kleinere filmmakers tegelijkertijd een werkbaar businessmodel tonen dat beter bij onze tijd past. In een interview zegt hij (zie ook):

Well, copyright was created as an incentive for musicians and artists to create. To get this limited monopoly and make money off their cultural works. It was meant as an incentive to create more, and I support that idea. But I think that the way copyright is being used today is mostly really large corporations that sit on these large swaths of rights and they are using this copyright to protect those rights, not to create more music. So copyright does need to be reformed. The basic dilemma is that the ability to share with culture is out of sync with the right to share culture. We need to find new tools, new ways for artists to share their stuff and still make money. And one of those tools is Creative Commons, which I’m using for my own film, which actually makes it easier for my film to spread and will make it easier for me to make money.

Misschien doet de entertainmentindustrie er inderdaad verstandig aan om de huidige wet- en regelgeving rondom auteursrechten te heroverwegen. Niet alleen uit idealistische motieven, maar ook uit pragmatische overwegingen. Hoewel de piraten door de rechter veroordeeld zijn tot gevangenisstraf en geldboetes, vaart hun schip nog steeds op het www, zonder dat iemand weet wie het roer nu precies in handen heeft.

About the Author

- (1978) is dichter, hoofdredacteur van Parmentier en lid van de redactieraad van DW B. Daarnaast is hij medeoprichter en redacteur van het platform voor literaire kritiek De Reactor, het literair weblog Ooteoote en uitgever bij Perdu.

Displaying 26 Comments
Have Your Say
  1. Lucas Hüsgen zegt:

    Recent vertelde de papieren editie van Die Zeit uitgebreid over wat er werkelijk gaande is, het een en ander aan de hand van het wedervaren van Cloud Atlas, de film. Er zijn Russische kopieerwebsites die mensen erop uit sturen om films bij première te filmen met hun smartphone, en dan worden die kopieën op die website aangeboden, waarop je je voor een zacht prijsje kunt abonneren. De producent verdient er helemaal niets aan. De website floreert.
    Producenten doen er inmiddels alles aan om de premières van hun films wereldwijd zo geheim mogelijk te houden, en dat lukt ze nauwelijks nog.

    De grote filmproducenten zijn als gevolg daarvan in elk geval het aantal films dat op dvd verschijnt, inmiddels al aan het terugschroeven. Men tendeert er voor het overige naar om alleen nog geheide blockbusters te produceren, die in elk geval in de eerste weken in de bioscoop veel geld opleveren. De producent van Cloud Atlas is niet uit de kosten gekomen.

    Google schijnt aan die kopieerwebsites enorm veel geld te verdienen, want is daar onderhands aanwezig. Stom toevallig betaalt Google inmiddels ook een leerstoel over auteursrecht aan de Humboldt Universiteit te Berlijn. Die professor zegt: ‘Wat? Hoezo auteursrecht? Kunstenaars zijn altijd arm geweest, en hebben toch grootse kunst gemaakt. Weg met het auteursrecht.’

    Goh, heet dat bij ons niet PVV?

  2. RHCdG zegt:

    Goh. Dus Google werkt vanuit een PVV-agenda samen met illegale downloadsites die mensen erop uitsturen om films met hun smartphone op te nemen, om op die manier de onafhankelijke filmproductie de nek om te draaien? Wat zijn ze toch slecht bij Google, dat ze zich tot zulke methodes verlagen!

    De bioscoop moet al decennia lang concurreren met andere media, waaronder tv, video, dvd, bluray en nu ook met streaming en andere diensten en platforms, al dan niet illegaal. Wat maakt het uit? Wie films wil zien zoals de regisseur ze heeft bedoeld gaat naar de bioscoop, die bezoekers met nieuwe ervaringen zoals 3D ook blijft lokken. Wie zich tevreden stelt met een bibberige smartphone-opname moet het zelf maar weten. Als de onafhankelijke filmproductie dat niet kan overleven is ze het niet waard lijkt me – maar natuurlijk zijn het nooit die films die illegaal worden gedownload; dat zijn juist de blockbusters. Dat weet Hüsgen ook wel, en anders kan hij het wel bedenken, maar het komt hem nu eenmaal niet uit om daarop te wijzen. Zo snel mogelijk naar de PVV, is het devies!

    Wat er werkelijk aan de hand is, is dat digitale camera’s het maken van films onvergelijkelijk veel goedkoper hebben gemaakt en dat iedereen met talent en zin nu aan de slag kan. De filmkunst wordt door Googlepraktijken of die van ‘Russische’ kopieerwebsites allerminst bedreigd. Zelfs Hüsgen kan een film maken als hij dat wil! Het auteursrecht – wat met het maken van kunst feitelijk niets, of alleen zijdelings iets te maken heeft: waarom zou je van kunstobjecten verhandelbare waar moeten maken? – wordt door de digitale ontwikkelingen vooral een probleem voor de grote studio’s en juist in veel mindere mate voor kleinere, onafhankelijke filmers die veel goedkoper kunnen werken en van wie het werk minder massaal illegaal wordt aangeboden. Hüsgen zou blij moeten zijn, maar ja, op die manier hou je niets te klagen over en ook hij heeft een winkel.

  3. Lucas Hüsgen zegt:

    Ik geloof niet, dat ik ergens heb ontkend dat iedereen tegenwoordig films kan maken. Meneer RHCdG drijft zijn Hüsgenhaat van tegenwoordig weer zo ver dat hij meteen een heel regiment aan stropoppen aanvalt. Wat betreft de overige zaken: meneer RHCdG zou ook het betreffende artikel kunnen lezen. Het was drie hele Zeit-pagina’s groot, oftewel in modern Nederlands een longlonglongread. Mijn opmerkingen waren louter samenvatting. Ik verzeker je verder, dat de kopieerders iets professioneler te werk gaan dan RHCdG het hier in zijn zoveelste poging tot Hüsgen afzeiken voorstelt.

    Even aan alle anderen alhier. Deze RHCdG liep ooit over van bewoooooooooooondering voor mijzelve. Ik herinner mij nog zo’n ontmoeting bij Perdu, waar hij mij juist zeer positief vernoemd had in een aldaar gehouden verhaal. Maar ja, toen heb ik twee keer iets heel slechts gedaan. Ik heb De zaak 40/61 van Mulisch durven kritiseren, en dat nadat de man met de lastige initialen mij dat door hem bewonderde boek had aanbevolen als onderwerp voor Nazi te Venlo. Nu was ik dat toch al van plan, maar goed. En later nog eens waagde ik het om hem er bij Facebook op te wijzen, dat de door hem voorgestane Partij voor de Dieren toch ook tegen de bezuinigingen op de kunsten was. Terwijl hijzelve kunstenaars maar idioten vond, omdat ze tegen die bezuinigingen waren. Dat vond deze grote intellectueel niet leuk, en hij heeft mij ontvriend. Sindsdien probeert hij mij met al zijn gebrekkige redeneervermogens (het tuimelt van het ene grote woord in het andere, en slaat ondertussen de eigen hersens aan het diggelen) af te zeiken.

  4. Lucas Hüsgen zegt:

    Maar goed, de gebrekkige hersencapaciteit van de man met de lastige initialen bleek al toen hij in zijn overigens lovende recensie van Deze rouwmoedige schoonheid op het idee kwam om mij fascistoide tendensen in de schoenen te schuiven vanwege de gedichttitel ‘De mond is dicht’. Uhm… het gedicht was opgedragen aan Jo Peters. Dat stond er heel duidelijk bij. De grote denker met de lastige initialen was klaarblijkelijk niet bekend dat deze overledene (vandaar het gedicht) de eminente uitgever was van Uitgeverij Herik, meer specifiek: van De zwarte reeks, een van de mooiste poëzieprojecten ooit uit de Nederlandse literatuur. De Nederlandse literatuur heeft sowieso weinig grotere poëzieliefhebbers gekend dan Jo Peters. Die mond, die mond was dus, door de dood, dicht.

  5. Lucas Hüsgen zegt:

    En overigens is ‘De mond is dicht’ natuurlijk ook een manier om te zeggen, dat het poëtische spreken een spreken van grote betekenisdichtheid is. Dubbelzinnigheid, niet waar, dat heb je wel eens bij poëzie.

  6. RHCdG zegt:

    Van grote bewondering, beste Lucas, is nooit sprake geweest. Ik heb misschien het beste artikel ooit over je poëzie geschreven (http://eerder.meandermagazine.net/artikelen/artikel.php?txt=1752&id=), dat wel, omdat ik nu eenmaal wel bereid ben om moeite en tijd te investeren, waar iemand als Gerbrandy je bundel afdeed als gelul, of een woord van die strekking. Van bewondering getuigt mijn artikel niet, wel van inzicht en vooral ook van begrip, met name inderdaad voor je obsessie met fascistische vormen. Je hebt me er nooit voor bedankt, maar toch: graag gedaan.

    Over de ontmoeting in Perdu waar ik je zo positief zou hebben vernoemd: ach lees het zelf maar na (http://www.cornetsdegroot.com/rhcdg/2010/06/26/han-van-der-vegt-perdu/), het was vooral en opnieuw een aardige geste van mijn kant, eerder grappig trouwens dan lovend.

    Ontvriend heb ik je niet omdat ik je zou haten: daarmee doe je jezelf iets te veel eer aan. Je hebt mij toch niks misdaan? Ook niet vanwege je ‘opvattingen’ over Mulisch; die is zo groot dat hij wel voor zichzelf kan zorgen. Ik bestrijd in jou vooral een mentaliteit: een die uitgaat van een dualisme tussen de kunstenaar die intrinsiek goed is en de overheid en het bedrijfsleven die beide intrinsiek slecht zijn. Daarnaast heb ik me van je ontdaan om je gehamer op steeds hetzelfde aambeeld, het plichtmatige en automatische gezeik tegen de PVV en (toen) Zijlstra en je paranoïde hearsay over het milieu. Overigens ben ik ook tegen bezuinigingen op cultuur, maar mijn weerzin tegen kunstenaars die subsidie als een onvervreemdbaar recht beschouwen en klaar staan om motieven voor die bezuinigingen met nazi-Duitsland in verband te brengen is vele malen groter.

    En intussen stel ik vast dat je in je drie opeenvolgende erupties hierboven op geen enkel punt van mijn reactie hierboven bent ingegaan, zoals je ook de verdediging van je Amy Winehouse-stuk liever aan een stroman uitbesteedde. Tegenspraak wordt door jou niet geduld en vooral ook niet geboden.

  7. Dank voor de reacties.

    In de documentaire worden de geldstromen van en naar TBP ook gevolgd. Een van de adverteerders blijkt de Zweedse zakenman Carl Lundström te zijn, die nauwe banden onderhield met rechtse organisaties. Fredrik Neij, zoals gezegd een van de voormannen van TBP, vertelt in een dronken bui zelf (ook) weinig op te hebben met die ‘verdomde, vieze immigranten’, uitspraken waarvan zijn collega-piraat Peter Sunde overigens snel afstand neemt. Maar ook aan de kant van de gerechtelijke macht lopen er schimmige lijntjes. Zo zou een van de rechters bemoeienis hebben met een pro-copyright organisatie en de schijn van belangenverstrengeling wekken. Daarnaast valt er het nodige af te dingen op de wijze waarop de openbaar aanklager bewijzen heeft verzameld tegen TBP. Al met al is er sprake van een diffuse verstrengeling van politiek, magistratuur, media-industrie, adverteerders, geldschieters en de oprichters en sympathisanten van TBP.

    Of we het nou leuk vinden of niet, downloadplatforms als TPB, Megaupload en Usenet zijn eenvoudigweg niet uit te bannen, hooguit te vertragen. Daarom denk ik dat de media-industrie (zowel de exponenten van Hollywood als de onafhankelijke maatschappijen) moeten zoeken naar andere manieren om geld te verdienen met hun cultuurproducten. Voor het schrijven van dit stukje heb ik mij een beetje verdiept in de zogeheten Creative Commons-licentie. Daarbij behouden kunstenaars hun rechten, maar verlenen ze anderen toestemming om het werk te verspreiden, te delen en soms ook te bewerken. Ik kan niet goed inschatten of zulke licenties een adequaat antwoord vormen op het (vooralsnog) illegaal kopiëren en verspreiden van mediabestanden, maar het lijkt me zinvol dat dit soort alternatieven voor het huidige auteursrecht ten minste worden overwogen.

    Tot slot, RHCdG werpt een interessante vraag op: waarom zou je van kunstobjecten verhandelbare waar moeten maken? Naar mijn idee zijn kunstobjecten verhandelbare waar. Volgens mij is er in economische zin geen wezenlijk verschil tussen bijvoorbeeld een film en een broodrooster. Het maken, promoten en distribueren van beide producten kost geld, en het lijkt mij niet meer dan logisch dat de consument daar dan ook voor moet betalen. Hoe moet de filmmaker of broodroosterfabrikant anders in zijn inkomen voorzien?

  8. “…zoals je ook de verdediging van je Amy Winehouse-stuk liever aan een stroman uitbesteedde.”

    Verrek, Lucas, ik moet je nog een rekening sturen!

  9. RHCdG zegt:

    Als het op basis van no cure no pay is gegaan, Samuel, denk ik dat je een rekening op je buik kunt schrijven.

    Wat Arnouds vraag betreft: zoals ik zei is er alleen een zijdelings verband. Men betaalt niet voor de kunst maar men onderhoudt de kunstenaar, dat is een wezenlijk verschil met de bakker en diens brood.

  10. Dag Rutger, dank voor je reactie. Wellicht kunnen we nog even doorgaan op het verschil tussen een kunstenaar en een bakker? Misschien ontgaat mij de kwintessens, maar als je een brood koopt, dan onderhoud je de betreffende bakker toch ook? Als je het brood gratis zou meenemen, dan loopt de bakker inkomsten mis. En dat geldt, mutatis mutandis, ook voor kunstenaars wier werk (laat ik dat voedsel voor de geest noemen) kosteloos gekopieerd en verspreid wordt. Daarnaast bestaan kunstwerken altijd uit materialen die een bepaalde economische waarde vertegenwoordigen. Voor die materialen moet een kunstenaar zelf ook betalen, dus het ligt voor de hand dat die kosten worden verdisconteerd in de prijs van het cultuurproduct.

  11. @RHCdG:

    🙂

    Ik had nou net vastgesteld dat er helemaal geen kwaal was. Aan zulk eenvoudig doch nobel werk verdien ik natuurlijk graag een stevige boterham.

  12. RHCdG zegt:

    Het heeft even geduurd Arnoud, maar in antwoord op je vraag: bij de bakker betaal je voor het brood. Je geeft het geld aan de bakker, maar wat hij hoeft het niet aan zichzelf of zijn vrouw en kinderen te besteden. Bij een kunstenaar is het precies andersom. Neem straatmuzikanten: maar zelden geef je die geld voor wat ze ten gehore brengen; je geeft hun geld om hen in leven te houden. Of neem de literatuur: waarom vervallen auteursrechten 70 jaar na de dood van de schrijver? Dat betekent alleen maar dat literair werk geen handelswaar is, al kan men dat er wel van maken. Zelf bestaat het, net als muziek, onafhankelijk van een fysieke drager (itt de beeldende kunsten). Het is virtuele materie zou je kunnen zeggen; aktueel wordt het pas wanneer het wordt gepubliceerd.

    Kortom, de basis voor schrijvers om geld te vragen voor hun werk is althans in het licht van deze overwegingen bijzonder smal. Voor de poëzie wordt het nóg smaller, aangezien dat 1) nauwelijks een markt kan worden genoemd en 2) poëzie zich (anders dan de romankunst enz.) niet tot reguliere arbeid laat disciplineren. De geest waait wanneer die er zin in heeft en je kunt hem wel helpen, maar het blijft een onzekere business. Op grond daarvan zou ik als dichter uit zelfrespect geen beroep willen doen op ondersteuning door de overheid, maar mezelf in leven houden door er zelf een beroep naast te nemen (en feitelijk is dat ook wat ik doe, want de markt voor essays is zo mogelijk nóg kleiner). Poëzie die wat kost: het is bijna een oxymoron.

  13. Gertrude Stein: “It takes a lot of time to be a genius. You have to sit around so much, doing nothing, really doing nothing.”

    Dichten kun je meestal nog wel naast een beroep doen, maar het helpt enorm als je er tijd, heel veel tijd voor kunt vrijmaken. Romans schrijven is meestal al wat lastiger (hangt van de persoon af). Theater maken op niveau: no way.

    Vergelijkbaars geldt voor op topniveau bedrijven van, zeg, algebraïsche getaltheorie, politieke wetenschap of Hegelstudie. Dat is allemaal wel mogelijk als hobby in de vrije tijd, maar je komt minder ver dan als je er al je tijd aan kunt besteden. Anderzijds bestaat er nauwelijks markt voor die gebieden.

    De politieke vraag is niet: hoe houden we zielige getaltheoretici in leven? De politieke vraag is: willen wij een cultuur met ruimte voor getaltheorie op het hoogste niveau? En vervolgens: hoe gaan we dat aanpakken?

    Als subsidie een verouderde aanpak mocht blijken, moet er iets anders worden verzonnen. Zelf ben ik, zolang we nog met geld werken, voor een basisinkomen. Minstens voor het ophouden met de Hardwerkende Nederlander-retoriek als heroïsering van de loonslavernij.

  14. Dag Rutger, dank voor je uitgebreide reactie.

    Een bakker verdient zijn inkomen met de verkoop van onder meer brood. Dat geld hoeft hij inderdaad niet aan zichzelf of zijn gezin te besteden, maar naar alle waarschijnlijkheid doet hij dat wel, of tenminste een gedeelte ervan. Het is, om zo te zeggen, zijn salaris, waarmee hij in principe kan doen en laten wat hij wil. Hetzelfde geldt voor de inkomsten die voortvloeien uit de verkoop van culturele producten. Kunstenaars wenden dat geld aan om in hun levensonderhoud en dat van vrouw en kinderen te voorzien, maar het geld kan evengoed een andere bestemming krijgen. Het uitgavenpatroon hangt sterk samen met het verkoopsucces van de bakker en de kunstenaar. Dat is waar. Maar als ik niet meer voor het brood hoef te betalen, dan heeft de bakker een financieel probleem, en moet hij een alternatieve inkomstenbron gaan zoeken. Mocht een kunstenaar geen geld meer ontvangen voor zijn boeken, films, muziek, enzovoorts, omdat alles gratis op internet staat, dan moet hij op een andere manier een inkomen zien te verwerven. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de bakker en de kunstenaar en hun producten, maar beide disciplines hebben linksom of rechtsom te maken met allerhande financieel-economische wetten.

    De idee van de Geïnspireerde Kunstenaar (het genie dat alleen kan scheppen als de muze langskomt) is mij iets te romantisch. Er wordt wel eens gechargeerd gezegd dat het maken van kunst voortkomt uit 1 % inspiratie en 99 % transpiratie. Die act is misschien minder mechanisch dan het bakken van een brood, toegegeven, maar in beide gevallen gaat het om hard werken. Vandaar ook dat schrijvers en dichters er vaak een strakke dag- en tijdsindeling op nahouden, pakweg vergelijkbaar met de ‘kantoortijden’ van andere beroepsgroepen.

    Wat mij betreft is er geen wezenlijk verschil tussen kunstsubsidies en subsidies voor andere bedrijfstakken. Ze zijn bedoeld om de markt te reguleren. Een beginnend bedrijf kan bijvoorbeeld aanspraak maken op een opstartsubsidie of microkrediet die door de overheid worden verstrekt. Voor beginnende kunstenaars gelden soortgelijke regelingen. Verliest een zelfstandig ondernemer aan zelfrespect als hij van de overheid geld ontvangt om zijn bedrijf uit te bouwen? Me dunkt van niet. Waarom zou een kunstenaar (die tegenwoordig ook wel ‘cultureel ondernemer’ of ‘zzp’er’ wordt genoemd) zich dan wel moeten schamen als hij subsidie van de staat krijgt voor zijn jonge culturele praktijk?

    • RHCdG zegt:

      Arnoud: vind je het citaat van Stein romantisch? Nee? Ik ook niet. Het is de werkelijkheid.

      Samuel: je stelt een politieke vraag, dwz een vraag aan de maatschappij. Volgens mij gaat daar een vraag aan vooraf, nl. een die je aan jezelf stelt. Niet: willen wij een cultuur met ruimte voor getaltheorie, maar: hoe kan ik als liefhebber van/in getaltheorie mijn bestaan zo inrichten dat ik aan getaltheorie toekom zonder voor die hobby, die in eerste instantie toch vooral mij aangaat, een overmatig beroep te doen op mijn omgeving.

      • Rutger: als dat de vraag is die iedereen zichzelf eerst moet stellen, dan is wat je zegt een *politiek* standpunt. En het is een politiek waar de getaltheorie niet bij zal floreren.

        Maar is dat ook erg? Mijn antwoord: Ja, dat is het einde van de wereld.

        Poëzie zie ik als net een graadje anders, trouwens, omdat ik een 100% professioneel dichterschap als iets onwenselijks zie. Maar ook voor de poëzie moeten materiële voorwaarden bestaan.

        Zie ook:

        http://www.theonion.com/articles/find-the-thing-youre-most-passionate-about-then-do,31742/

        • Samuel, waarom is 100 % dichterschap onwenselijk? In ons kleine taalgebied zijn er niet zo gek veel dichters die kunnen rondkomen van hun poëzie, maar ze zijn er gelukkig wel. En dat vind ik allesbehalve onwenselijk. Integendeel: ik vind het fantastisch dat er dichters bestaan die van hun werk kunnen leven.

          Daarnaast zou ik professioneel ‘dichterschap’ ruimer willen opvatten dan het publiceren van dichtbundels, waarmee je geld kunt verdienen. Veel dichters geven ook voordrachten in binnen- en buitenland, publiceren in literaire tijdschriften en op websites, bekleden soms een redacteursfunctie, nemen af en toe zitting in jury’s voor literaire prijzen, organiseren poëzie-evenementen, bloggen, vertalen poëzie, recenseren dichtbundels, enzovoorts. Ze zijn, kortom, aan het werk als cultureel ondernemer, en dat werk maakt onlosmakelijk onderdeel uit van onze economie.

          • Arnoud: omdat ik denk dat onder de kunstvormen de poëzie bij uitstek die vorm is die zich leent voor, en gebaat is, bij kruisbestuivingen met andere ervaringen. Maar die kunnen zeer veel gedaantes aannemen natuurlijk. Het idee van iemand die uitsluitend dicht staat me tegen; maar goed, ik besef ook dat er mensen zijn geweest die juist zo tot belangrijk werk zijn gekomen.

            Trouwens, het idee van iemand die alleen musiceert, of alleen wiskunde bedrijft, of alleen politiek, staat me ook tegen. Wel vereist het professioneel uitvoerend musicus zijn vele uren per dag gewoon voor het onderhoud van het metier, techniek op peil houden, instudering, enz. Een dichter die op die manier met zijn vak om zou moeten gaan zou ik geneigd zijn wat porsierlijk te vinden, maar goed, je hebt ze natuurlijk in alle soorten en maten. En ook een dichter moet regelmatig lange perioden kunnen hebben waarin hij of zij uren per dag aan poezie kan besteden (schrijven en lezen).

          • Ha Samuel, volgens mij is het volstrekt onmogelijk om uitsluitend te dichten, te musiceren, films te maken, enzovoorts. Een kunstwerk komt nooit in volslagen isolement of in een discursief vacuüm tot stand, simpelweg omdat er geen plaats bestaat die zich buiten de Werkelijkheid bevindt. Zelfs de spreekwoordelijke ivoren toren is geografisch, cultureel, economisch en sociaal te lokaliseren. De wereld waait, anders gezegd, altijd naar binnen. Een dichter is niet alleen maar dichter, hij is ook geliefde, vriend, kennis, familielid, burger, kiezer, consument, belastingbetaler en noem alle gedaantes maar op die wij (dagelijks) aannemen. Zie daar de kruisbestuivingen met andere ervaringen.

  15. Dag Rutger, volgens mij kun je een los citaat van Gertrude Stein, dat wil zeggen zonder verdere context, niet zomaar als ‘de’ werkelijkheid aanmerken. Los daarvan denk ik dat haar uitspraak prima rijmt met de eerder door mij gememoreerde verhouding van 1 % inspiratie en 99 % transpiratie. Veel schrijvers kruipen op vaste tijdstippen achter hun bureau en beginnen met werken. Dat wil zeggen: nadenken, schrijven, doorhalen, opnieuw nadenken, herschrijven, enzovoorts. Dat ‘niets doen’ vereist al met al een hoge graad van concentratie en doorzettingsvermogen. En vooral ook: tijd. Om met de schrijver van het Boekenweekgeschenk te spreken: schrijven is blijven zitten tot het er staat.

    De totstandkoming van een cultuurproduct kost nu eenmaal geld. Soms veel, soms weinig, maar het is een illusie om te veronderstellen dat films, cd’s, games en boeken geheel gratis kunnen worden geproduceerd (en er dus niets voor hoeft te worden betaald door de consument). Neem een traditioneel boek. Naast de materiaalkosten (papier, drukinkt, lijm), heb je nog het arbeidsloon van de uitgever, dat van de redacteur, de vormgever, de corrector, de drukker (die zelf natuurlijk ook weer kosten maakt), de marketingmedewerker, de verkoopmedewerker, de administrateur, noem maar op. En dan is er natuurlijk de auteur die tijd, energie en geld (kosten voor de pc, elektriciteit, enzovoorts) in het boek heeft gestoken. Het gaat hier, kortom, om een bedrijfstak, die alleen kan blijven bestaan als lezers bereid zijn om voor boeken te betalen. Dat zou ik een werkelijkheid willen noemen.

    Je schrijft dat je niet tegen subsidies bent, maar als een dichter daar een beroep op doet verliest hij volgens jou aan zelfrespect. Dat heet dan een overmatig beroep op de omgeving. Daarom nogmaals mijn vraag: waarom is het wel eerbaar als een zelfstandig ondernemer een opstartsubsidie van de overheid ontvangt?

  16. RHCdG zegt:

    Samuel, ik weet niet goed waarom je me dat artikel laat lezen, want het legt juist de verantwoordelijkheid voor het welslagen van welk artistiek streven ook bij de aspirerende kunstenaar – niet bij de overheid die dat streven zou moeten faciliteren. Het betoog is van een onmiskenbaar Amerikaanse signatuur, en ik dank het precies aan die Amerikaanse mentaliteit en mijn verblijf in dat land dat ik nu als vertaler en schrijver zowel een redelijke boterham verdien als dat ik zo nu en dan eens een stukje kan schrijven als ik daar zin in heb.

    Je kunt de vraag die ik stel wel politiek noemen, maar waarom dan niet all the way en het een ethische kwestie genoemd: wat is de verhouding tussen jou en de samenleving, welke rechten en plichten zijn er over en weer, hoe kun je de zorg voor jezelf in eigen hand nemen in plaats van de verantwoordelijkheid ervoor bij de samenleving te leggen.

    Ja, maar hoe moet het dan verder met die getaltheorie? hoor ik je roepen. Nou, die getaltheorie die redt het wel. Is het niet door jou, dan door een ander die er zo gepassioneerd over is dat hij de rest ervoor opzij zet. Vorderingen op zo’n terrein zijn ook doorgaans alleen van mensen te verwachten met een talent dat hen dwingt tot een dergelijke toewijding.

    • Rutger, denk je dat getaltheoretici ook van die dwang kunnen leven? Het gaat om iets wat een heel ander soort inzet vergt dan het af en toe schrijven van een stukje als je daar zin in hebt. Dát is hobbyisme, ja – en daar is helemaal niks mis mee, maar het hoogste haal je er niet mee. Wil iets als getaltheorie echt wat worden dan is een krachtige institutionele infrastructuur – plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en over het vakgebied van gedachten wisselen, samenwerken, discussieren, en ook zeer, zeer veel tijd voor studie en denken noodzakelijk.

      Het Onionstuk vond ik vooral grappig. Een satire op de kleine uurtjes cultuur, op het hobbyisme dat past bij het concept van “zelfredzaamheid” dat onze looncultuur ons voorhoudt, goed begrijpelijk ook in de NL context.

      Begrijp me niet verkeerd: ik ben groot voorstander van zelfredzaamheid en hou ook van de Amerikaanse cultuur, maar ik zie de manier waarop het Amerikaanse model zich de laatste decennia ontwikkeld heeft niet als de hoogste invulling van dat begrip.

      Neem nou het libertarianism. Dat blijkt, als je doorvraagt, gebaseerd op vaak armoedige opvattingen van maatschappelijke instituties als eigendom en vrijheidsconcepten, die bovendien niet zelden nogal vergezochte impliciete aannames maken over de rationaliteit van mensen.

      Een auteur als Thoreau, die vaak als model daarvoor mag gelden, is juist zo interessant, omdat bij hem het besef dat absolute onafhankelijkheid gepaard gaat met paradoxen overal aanwezig is. Zijn idee van onafhankelijkheid is bijvoorbeeld uiteindelijk niet gefundeerd op een positieve, uiteindelijk fundamentalistische, opvatting van het vrijheidsbegrip, maar enkel op een ethische norm, die hem ertoe brengt bepaalde instituten die met die norm in conflict zijn niet te steunen. Dat is rijker en spannender dan Tea Party achtige travestieën.

      • RHCdG zegt:

        Ja hiermee verlaat je het gesprek met mij, want ik kan niet spreken voor libertarianism of voor de Tea Party, en Thoreau ken ik niet: te druk gehad met geld verdienen om hem te lezen! Alleen over dat hobbyisme kan ik nog wat zeggen: je mag mij een hobbyist noemen, al bedoelde ik natuurlijk een amateur, iemand die zijn metier liefheeft en van daaruit resultaten bereikt. Ik zou ook niet willen dat ik van het schrijven van die stukjes mijn beroep zou maken. Ik zou nl. niet beter schrijven, hooguit wat meer en misschien over onderwerpen waar ik me nu niet in kan verdiepen. So be it. De eenzijdigheid ervan staat ook mij tegen. ‘Een dichter moet in de wereld arbeiden’, herinner ik me van Jacques Perk (!) en zo zie ik het ook: niet eens alleen om de overheid niet te belasten, maar om gezond te blijven, je leven in eigen hand te houden en om het gevecht met de maatschappij niet alleen in geschrifte uit te drukken maar ook aan den lijve te ervaren. Dan komen de dichtregels vanzelf. En komen ze niet? Ook goed!

        • Zeker! Met je conclusie en Perk-citaat ben ik het zeer eens, zoals hopelijk ook blijkt uit de uitwisseling tussen Arnoud en mij hierboven. Als ik met getaltheorie op de proppen kom, wil ik niet suggereren dat dat volledig met het dichten gelijk te stellen is.

          Thoreau raad ik wel echt aan trouwens. Walden kost wel tijd, maar de essays zijn goed te doen, lees zeker eens zijn Civil Disobedience.

  17. RHCdG zegt:

    Arnoud: sinds er digitale publicatiemogelijkheden zijn hoeft niemand meer een boek te laten drukken. Sinds er digitale camera’s worden verkocht zijn de productiekosten van film ook significant gedaald. Voor sommige kunstvormen, beeldende kunst met name, zijn de voorwaarden hetzelfde gebleven – maar waarom zou je, omdat een kunstvorm aan een medium is gebonden (doek, verf, marmer, enz.) er meteen een verhandelbaar object, een commodity van moeten maken? Dat is het verschil met de zelfstandig ondernemer die zich door de overheid laat bijstaan. Een kunstenaar maakt kunst omdat hij zich daartoe geprest voelt, niet omdat er ‘vraag’ naar is. Die gedachte alleen al vervult hem met afschuw (als het goed is).
    Enfin, er is nog veel meer over te zeggen maar ik heb niet de verwachting dat we elkaar erg zullen naderen, dus ik wil het graag hierbij laten.

  18. Iedere schrijver wil gepubliceerd en gelezen worden. In die zin hopen schrijvers dus wel degelijk dat er ‘vraag’ is naar hun werk. Maar het lijkt me goed om het debat hiermee af te sluiten. Nogmaals dank voor de redacties.