Gepubliceerd op: woensdag 13 februari 2013

Gevangen in ironie

 

Door Merijn Oudenampsen

Onlangs werden kunstenaar Jonas Staal en theatergroep Wunderbaum afgeserveerd door Trouw-columniste Elma Drayer, omdat zij politiek stelling namen, en het ze aan ‘superieure ironie’ ontbrak. In een discussie naar aanleiding van een recensie van Kees ’t Hart over de filosoof Alain Badiou, kwam eenzelfde kritiek naar voren. Badiou zou een ‘blijmoedige boodschap’ verkondigen: een geloof, vergelijkbaar met dat in de Here Jezus. Badiou zou als ‘voorzitter van allerlei samenzwerende kleine groepjes’ ’t Hart  ‘de lucht uit de longen willen persen’.

Ik psychologiseer even. Wat we in ’t Harts commentaren kunnen lezen is een zeker generationeel trauma. Het is het trauma van de verzuiling, van de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal en de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Het nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor deze generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij adem gehaald kon worden. Het was het perfecte breekijzer, een oorlogsverklaring aan elke vorm van betutteling. Nu heeft elk medicijn zijn problematische bijwerkingen. In het geval van het nihilisme werden ze lange tijd voor lief genomen: opgeblazen schrijversego’s, overdreven geloof in de eigen individualiteit c.q. genialiteit, een gemakzuchtige hekel aan de massa, en een afkeer van elke vorm van stellige overtuigingen of van de kansel spreken. Dit tot nihilisme gesublimeerd trauma werd gepopulariseerd via het werk van W.F. Hermans en bijgestaan door de vernietigende ironie van Gerard Reve. Het heeft zich diep geworteld in onze cultuur en wordt veelal onbewust door menig schrijver en journalist gereproduceerd.

Er is een deftig schrijversnihilisme, dat van mensen als Arnon Grunberg, P.F. Thomése en ’t Hart, dat de kassa’s doet rinkelen en de betekenisloosheid van de wereld in telkens nieuwe variaties voorschotelt aan een middenklasse publiek dat daar om een of andere reden behoefte aan heeft. Dit schrijversnihilisme heeft zeer weinig te melden nu er geen sprake is van een opgelegde moraal die ondermijnd kan worden. Het is het gebanaliseerde nihilisme van Richard Rorty en consorten. Het is tevens een minderwaardig, passief nihilisme, dat niet in staat is om een nieuwe moraal te genereren, zoals Friedrich Nietzsche voor ogen stond.

Maar er is ook een gepolitiseerd, volks en actief nihilisme. Toen Pim Fortuyn in 2002 tekeerging tegen het gemoraliseer van de linkse kerk, kanaliseerde hij Hermans en Reve. En toen Theodor Holman voorstelde om Polen niet bij een PVV-meldpunt aan te geven, maar neer te schieten en verrot te schoppen, vermeldde hij er netjes bij dat het Nietzsche was die hem daartoe inspireerde. GeenStijl is voor de goede verstaander even expliciet in de nihilistische inspiraties. De weblog verzet zich tegen fatsoensterroristen en moraalneukers en roept op tot hufterigheid als een vorm van individuele progressie, van emancipatie en eigen meningvorming. De nihilistische ironie is gepolitiseerd en gepopulariseerd tot een brede, incorrecte sociale beweging. Bas Heijne had er een scherp oog voor:

Als er ooit een geschiedenis van nieuw-rechts populisme wordt geschreven, dan mag daarin de grootste invloed niet ontbreken: Gerard Reve. De taal van de huidige politieke revolte is doordrenkt van reviaanse ironie – het half ironisch, half serieus sarren van die brave progressieve weldenkenden met hun humorloze bedilzucht en morele zelfgenoegzaamheid. „Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden”, luidt de favoriete zin van veel revianen. Daar zit het allemaal in – die hyperbolische agressie die echte woede uitdrukt, maar tegelijk ook komische onmacht. De ironie van Reve, altijd maar half ironisch, heeft zich nu in het publieke domein genesteld. Theo van Gogh, die ‘de Goddelijke Kale’ Fortuyn mocht influisteren, was een groot Revefan. Martin Bosma vindt Reve de grootste schrijver. Het beste van GeenStijl druipt van reviaanse ironie.

Het deftige schrijversnihilisme, dat zich uit principe weinig van de massa aantrekt, lijkt van dit alles bijzonder weinig te hebben meegekregen. Zo kan het dat dit weekeinde een groot stuk van Thomése in NRC te lezen was, waarin de schrijver zich afvroeg waar de ironie toch gebleven is. Je moet wel op een zeer afgelegen planeet leven om een dergelijke observatie te kunnen maken. ‘In deze tijden van fundamentalisme, populisme en moralisme,’ zo stelt Thomése in zijn lofrede, ‘heeft de ironische geest het moeilijk’. Waarmee de auteur aantoont helemaal niets van de tijdsgeest te hebben begrepen. Het is juist de ironische geest die tegenwoordig naar hartelust fundamentalisme, populisme en moralisme bedrijft.

Thomése begrijpt dit niet, omdat hij denkt dat ironie noodzakelijkerwijs onbepaaldheid inhoudt, het niet de vinger kunnen leggen op… Het hele idee dat ironie, in de woorden van Thomése, er van uitgaat dat de moraal is gefundeerd op twijfel, is echter een groot misverstand. Lees de ironie van GeenStijl, welke metafysische twijfel is er in godsnaam te vinden in het item ‘Een Neger omdat het moet’? De ironie is juist een paardenmiddel in het verkopen van nieuwe waarheden, liefst met seksistische en racistische inslag. De lofrede van Thomése op de ironie heeft verdacht veel weg van een deftige variant van het ‘Hufter Manifest‘ van GeenStijl, dat net als Thomése afgeeft op de moralist, zij het op een wijze die het minder goed doet bij het NRC-publiek.

De geëngageerde schrijver kan zich volgens Thomése niet uitspreken over de wereld. De clownsneus van de ironicus blijft altijd zichtbaar. Zijn woorden zullen altijd anders begrepen worden dan ze zijn bedoeld. Natuurlijk is dit postmodern verwoorde jaren negentig-onzin, talloze internationale schrijvers spreken zich onophoudelijk uit over maatschappelijke kwesties, en weten zich tot hun publiek te verhouden. Wat Thomése hier doet is het herkauwen van de specifiek Nederlandse notie van de autonomie van de kunst, die telkens weer afgelebberd en voorgekauwd wordt voor nieuwe generaties van intellectuelen en cultuurmakers: gij zult niet maatschappelijk iets betekenen. Een dergelijke enge invulling van het autonomiebegrip impliceert een vorm van zelfgekozen talige gevangenschap. Paradoxaal genoeg doet dit autonomiebegrip afbreuk aan de autonomie van de kunstenaar, want zij mogen, kunnen zich niet buiten het terrein van de kunsten kenbaar maken. Hen wordt de mond gesnoerd. Zo is de lofrede op de ironie eigenlijk een verkapte viering van het eigen reservaat. In de woorden van Jacq Vogelaar: ‘De schrijvers spelen in hun reservaat, en de rest gaat gewoon door.’

Dat het halve literaire establishment in Nederland zich vastklampt aan een verlopen nihilisme is niets anders dan een eloquente vorm van lafheid.

About the Author

- (1978) is dichter, hoofdredacteur van Parmentier en lid van de redactieraad van DW B. Daarnaast is hij medeoprichter en redacteur van het platform voor literaire kritiek De Reactor, het literair weblog Ooteoote en uitgever bij Perdu.

Displaying 34 Comments
Have Your Say
  1. Adriaan Krabbendam zegt:

    Wat een ironisch en nihilstisch stukje.

  2. Ben Hermans zegt:

    Mijn eerste reactie: je lijkt Jan-Peter Balkenende wel (schreef de allang gepensioneerde Mulisch een domme brief over engagement).

    Maar het zit dieper, vrees ik. Zodra politieke griezels, die zich zonder ironie tégen de democratie uitspreken, de wet gaan voorschrijven aan romanschrijvers ben ik ineens héél erg voor autonomie. Advies: ga zelf een roman schrijven. Met lekker veel politiek erin (‘Tanja tegen het Groot-Kapitaal’, morgen bij de Slegte.)

    Dan je wat… aparte samenvatting van de geschiedenis. Dus het nihilisme was een reactie op de jaren ’50 moraal? (Ik ga niet citeren, het staat er echt.) Volgens mij sla je één generatie over, opzettelijk, die van de protestgeneratie van ’68. Maar een kwart eeuw totale dominantie aan de universiteiten ziet men algauw over het hoofd natuurlijk.

    Het ironische postmodernisme van de jaren ’90 – het dode paard waar nu zo dapper tegenaan aangetrapt wordt – was dáár een reactie op. Dat Reve en Hermans dat op zijn best naïeve politieke idealisme van ’68 al veel éérder hadden doorgeprikt (anders dan Mulisch), en zich daartegen hebben verzét, tegen de stroom in, pleit alleen maar voor ze. Het nihilisme van Hermans en de doorgedreven ironie van Reve waren geen instrumenten van het grootkapitaal of dat soort onzin, maar waren vooral tragisch: hoe te dealen met die leegte.

    Niet. Ironie. Humor. Vluchten in politieke schema’s en filosofische abstracties. Het mag allemaal. Nog steeds. Nog wel.

    • Merijn Oudenampsen zegt:

      Het heeft geen zin om op zoveel aperte onzin te reageren. Weet niet wie de griezels zijn die schrijvers proberen de wet voor te schrijven uit naam van het verzet tegen het grootkapitaal, ik ben het in ieder geval niet.

  3. Ben Hermans zegt:

    De toon maakt de muziek. En die toon is hier nogal schril.

    Jammer dat je niet wilt reageren op de aperte fouten in bovenstaand stuk.

    • Ha Ben,

      Volgens mij wijs je niet zozeer op ‘aperte fouten’ in het stuk van Merijn, als wel op het feit dat je het er niet mee eens bent. Je stelling dat Merijn in zijn stuk een generatie over zou slaan is niet juist. Lees deze passage nog eens goed:

      “[…] Wat we in ’t Harts commentaren kunnen lezen is een zeker generationeel trauma. Het is het trauma van de verzuiling, van de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal en de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Het nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor deze generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij adem gehaald kon worden. Het was het perfecte breekijzer, een oorlogsverklaring aan elke vorm van betutteling. […]”

    • Merijn Oudenampsen zegt:

      Beste Ben Hermans,

      ik wil best reageren op kritiek. Het is alleen moeilijk iemand serieus te nemen die gelijk begint te beunen over griezels en grootkapitaal. Het klinkt een beetje alsof u teveel kinderromans van Paul van Loon heeft gelezen. De toon maakt de muziek, inderdaad. Dat zegt u, nota bene, nadat u mij impliciet voor een griezel hebt uitgemaakt. Gevoel voor ironie heeft u wel.

      Mijn stelling, om het nog eens te verduidelijken, is dat de culturele revolte tegen de verzuiling van de late jaren zestig en bovenal de jaren zeventig een vrij divers en complex geheel was waar het nihilisme een belangrijk element in vormde. Niet het enige, natuurlijk. Reve en Hermans hebben zich dus niet enkel verzet tegen de stroom zoals u schrijft, zij waren er zelf zeker onderdeel van. Er zijn genoeg historische beschrijvingen van die tijd waar een dergelijke lezing van de geschiedenis op gegrond kan worden (Kennedy, Hellema, Righart, De Liagre Böhl).

      Het dode paard dat u het ‘ironische postmodernisme’ noemt (ik gebruik liever de term nihilisme, omdat er een continuïteit is in de traditie van denken van Nietzsche, ter Braak, Hermans tot Grunberg en Thomése, die de term postmodernisme ontkent), is wel een bijzonder vitaal dood paard. Het vult de krantenkolommen en de boekenkasten, het resoneert in de kritieken. Dit in discussie te stellen, heeft natuurlijk niets met dapperheid te maken. Tenzij u bedoelt dat de criticus zich moet voorbereiden om een hele reeks van dit soort ondoordachte opmerkingen te pareren.

      Wat mij bovenal opvalt is de weigering om in discussie te treden, door de criticus gelijk de intentie in de schoenen te schuiven, censuur toe te willen passen. Dit argument is natuurlijk zelf een vorm van censuur. Ik beweer helemaal niet dat schrijvers geen rechtse of niet-geëngageerde literatuur mogen schrijven. Ik beweer enkel dat er geen grond is voor het argument van Thomése, dat engagement niet mogelijk is, of geen zin heeft. Het is Thomése die zich hier op het terrein van de politieke filosofie begeeft, waar hij op politiek-filosofische gronden tevens bekritiseert kan worden.

      Nogmaals, het is Thomése die de bewegingsruimte van de schrijver wil inperken, die de geëngageerde schrijver het zwijgen wil opleggen. Ik pleit enkel voor het erkennen van de mogelijkheid van schrijvers om zich maatschappelijk te uiten. Niet voor de plicht om dat te doen. Het ene argument op een hoop gooien met het andere, leidt tot een zeer onzuivere discussie.

      vriendelijke groet,

      Merijn Oudenampsen

  4. Ben Hermans zegt:

    Hallo Matthijs,

    Ik begrijp wat Merijn bedoelde met het het geciteerde stuk, maar wat ik probeerde aan te geven was dat hier toch sprake lijkt van geschiedvervalsing. Merijn doet het voorkomen alsof de hele Nederlandse literatuur van Hermans en Reve af een nihilistisch wereldbeeld heeft uitgedragen. Lijkt me onzin.

    Ook beweert hij dat huidige schrijvers dit nihilisme cynisch inzetten om te appeleren “aan een middenklasse publiek dat daar om een of andere reden behoefte aan heeft.” Lijkt me ook onzin. Uitgezonderd misschien Herman Kochs Het diner, waar het stuitende, maar volstrekt ongeloofwaardige nihilisme van alle personages vooral bedoeld lijkt om te choqueren.

    Het grote publiek is nooit zo te porren geweest voor het nihilisme – wel voor het materialisme, waar Merijn hier op lijkt te doelen, maar dat is toch echt iets anders.

    Waar ik me aan stoor, en wat ik een beetje griezelig vind, is de tendens op deze literatuursite om iedereen die niet (links) geëngageerd schrijft verdacht te maken. Grunberg heeft op zijn manier, die ook niet de mijne is, veel geschreven over de toestand in de wereld. Ironisch: ja. Maar is dat nihilistisch?

    Vanwaar die behoefte om een vijand te creëren? En wat is er mis met autonome kunst? Oote oote boe oote boe was toch ook heel… autonoom?

    Ook de reactie van Merijn vind ik veelzeggend. Discussie voeren doe je met ánders denkenden – met gelijkgestemde soebatten hoe je je theoretische bouwwerk nog steviger kunt dichtmetselen is niet zo interessant, zou ik zeggen. Maar van een buitenstaander die niet meedoet aan die rituele rondedansjes, die niet thuis is in de fantasy-wereld van de kritisch theorie (of hoe het tegenwoordig ook heten mag) kun je natuurlijk makkelijk beweren dat hij het ‘niet begrepen heeft’.

    Het is allemaal zo… jammer.

    [retyped from memory, na ‘send’ kreeg ik een wit scherm…]

  5. Beste Ben Hermans, dank voor uw reactie.

    Wij zijn er hier niet op uit om vijanden te creëren. Er lopen er al meer dan genoeg rond, zou ik zeggen… Liever denk ik in termen van opponenten of antagonisten, met wie je tot een vruchtbare gedachtewisseling kunt komen (mits er een paar elementaire debatregels in acht worden genomen). Een preek voor eigen parochie is inderdaad nogal, uh, duf.

    Ooteoote is dan ook geen club, beweging of school, waar de suprematie van één vastomlijnde opinie bij wijze van mantra resoneert, maar eerst en vooral een debatplaats waar alle gezindten kunnen discussiëren over theoretische (dus ideologisch geladen) concepten als ‘engagement’, ‘autonomie’, ‘ironie’, ‘nihilisme’, enzovoorts.

    Ten onrechte plaatste ik het adjectief ‘ideologisch’ tussen haakjes. Volgens mij bestaat er namelijk niet zoiets als volstrekt autonomistische kunst of ‘vrije lyriek’. Die komt altijd voort uit een politiek-maatschappelijke werkelijkheid, die ze tegelijkertijd zelf ook produceert.

    Binnen dat discours zijn, anders gezegd, geen waardenvrije zones, geen natuurwetten. Daarom is het misschien ‘zuiverder’ als je de eigen denominatie niet camoufleert, maar expliciet aan bod laat komen.

  6. Ben Hermans zegt:

    Oh, maar dat is heel simpel Arnoud: ik ben gewoon een passant, iemand die van literatuur houd en daarom regelmatig op deze site kijkt.

    Ja, elke literatuur is ‘ideologisch’, in de zin die jij beschrijft, dat snap ik ook. Maar in die uitgeklede vorm is alles ideologisch, en dat is ook precies mijn bezwaar tegen die benadering: de verhulde (jawel) politieke vooringenomenheid, het redeneren naar vaststaande conclusies toe. In dit geval, gok ik: ‘Nederlandse romanschrijvers zijn nihilistisch, en schuldig aan handhaving van de status-quo.’ Feiten volgen vanzelf.

    Deze door en door politieke manier van denken staat m.i. haaks op de vrije, artistieke geest (bij gebrek aan een beter woord). Wat anderen subversief noemen, zie ik eerder als de humorloze kritiek van een politieke club waarvan ik de naam niet zal noemen. Enfin. Dat is misschien een kwestie van smaak. En van beroep. Ik ben geen academicus, althans niet in de alfa-richting.

    Ik heb ‘Fashionable Nonsense’ – zojuist nog even opgezocht – meer dan tien jaar geleden gelezen, en het verbaasde, nee: ergerde me dat er zo badinerend over werd gedaan in de gelinkte artikelen. Alsof die kritiek allang achterhaald is, en men weer vrolijk door mag met wiskunde-spelen. Baudrillard heet nu Badiou. Niets geleerd.

    Het is niet mijn gewoonte te reageren, laat staan te trollen. Ik weet dat ik in een lopend debat inbrak, en dat mijn reactie niet heel vriendelijk was. Maar om dan gelijk om mijn Ausweis te vragen… Hmm.

  7. In principe mag iedereen op Ooteoote zijn of haar zegje doen. Sterker, dat lijkt me de essentie van een vrij debat. Meer bepaald: u bent het kennelijk niet eens met sommige medewerkers aan deze site, en wij geven u dan ook graag de ruimte om uw bezwaren nader te beargumenteren. Daarvoor is, voor zover ik kan overzien, niet om uw werkvergunning (u gebruikt de beladen term ‘Ausweis’) gevraagd.

    Mogelijk vindt u mijn eerdere reactie te relativistisch. Dat kan. Maar wie zuiver wil debatteren, moet ook de eigen standpunten in vraag durven stellen. Alle genoemde begrippen zijn welbeschouwd theoretische ficties. En volgens mij kan het geen kwaad om daar bij stil te staan, vanuit welke gezindte of denominatie dan ook.

  8. Ben Hermans zegt:

    Je schreef dat ik mijn denominatie zou camoufleren, Arnoud. Wat volgens mij betekent: wie ben je en wat doe je hier? Via de afbeelding bij het artikel (“Achtung Ironie”) kwam ik allicht tot Ausweis.

    Ondertussen is hier, door jou en anderen, niets interessants over nihilisme, ironie of literatuur naar voren gebracht. Ja, ik mag mijn klaagzang houden, maar niemand gaat er inhoudelijk op in.

    Een grote leegte opgetuigd met academische toeters en bellen.

    Ben Hermans uit.

    • Dan hebt u mij verkeerd begrepen. Ik sprak in algemene termen over de verdoezeling van het ideologische. Sommige schrijvers zetten het stijlfiguur van de ironie vooral in om de eigen positie te maskeren, de ironie fungeert dan als een schild tegen alle kritiek. Tegelijkertijd kan ironie ook dienen als een kritisch of emancipatoir middel, waarbij de positie van de schrijver juist versterkt wordt.

      Merijn Oudenampsen heeft eerder geschreven over autonomie. In zijn opinieartikel ‘De Pop van de Top. Tegen het Sterrenstelsel in de Cultuur’ laat hij aan de hand van de ideeën van de filosoof Jacques Rancière zien hoe autonomie en heteronomie met elkaar hand in hand kunnen gaan: http://metropolism.com/opinion/de-pop-van-de-top/.

  9. Dirk-Jan van Vliet zegt:

    Mooi stuk en ik ben het er mee eens, maar ik ben woest over het feit dat je Rorty gebanaliseerd nihilisme noemt. Dan heb je echt niks van hem begrepen en precies de plank volledig misgeslagen als het om Rorty’s denken gaat. Ik wil je wel uitleggen hoe het zit?

    • Beste Dirk-Jan van Vliet, dank voor uw reactie. Ik ben alvast benieuwd naar uw uitleg.

      • Dirk-Jan van Vliet zegt:

        Laat ik nogmaals voorop stellen dat ik me eigenlijk zeer goed kan vinden in uw stuk. Dit omdat ik juist ook mede-geïnspireerd door Rorty vind dat het een belangrijke taak is van de literatuur om sociaal-geëngageerde werk op te leveren, of in ieder geval ook niet-ironisch werk.

        Ik snap wel waar de verwarring door komt, waarschijnlijk door dat de notie van ironie een belangrijke plaats inneemt binnen het denken van Rorty. Daarnaast verwijst u naar een boek van de mij volstrekt onbekende, laat ik daar eerlijk over zijn, Karen Leslie Carr getiteld The Banalization of Nihilism. Na even gebladerd te hebben in de digitale variant van dit boek, en even gezocht te hebben op de auteur’s naam is het simpelweg iemand die het niet eens is met Rorty’s ‘anti-foundationalism’. Dat wil zeggen dat zij wel gelooft dat er iets ‘out there’ is, zoals Rorty zou zeggen, waar we achter kunnen komen en wat alles verklaard. Dat kan en dat mag, alleen dat heeft niets te maken met het onderwerp van uw kritiek op de Nederlandse literatuur. Deze heeft betrekking op de volstrekt ironische houding van Nederlandse schrijvers.

        Het is makkelijk te denken dat deze houding er ook één is die Rorty propageert. Dit aangezien de notie van ironie een nogal belangrijke plaats in zijn denken inneemt. Laat mij echter heel kort en met grove penseelstreken vertellen waar Rorty vandaan is gekomen en waar hij naar toe heeft gewerkt.

        Zijn eerste belangrijke eigen werk was Philosophy and the Mirror of Nature. Dit boek, met name interessant voor academisch geschoolde filosofen in het bijzonder vanuit de analytische traditie, probeert te laten zien hoe de filosofie door de eeuwen heen de geest is gaan zien als de spiegel van de natuur. Het was, volgens deze visie, de taak van de filosofie om er voor te zorgen dat er in de geest – door middel van het denken – de juiste afspiegeling van de natuur werd weergegeven. Een dergelijke afspiegeling kan dan natuurlijk juist of onjuist zijn, en door middel van de rede (Kant) kunnen we erachter komen of deze afspiegeling de juiste is of niet.

        Rorty verzet zich hier tegen en stelt, nogmaals, dat er niet iets ‘out there’ is waarvan we de essentie kunnen vatten in het denken. Na het schrijven van Philosophy and the Mirror of Nature brengt hij zijn anti-filosofische ideeën ook in de praktijk en verruilt hij zijn leerstoel aan de Wijsbegeerte faculteit in Princeton voor de Geesteswetenschappen in Virginia.

        Tien jaar na het uitkomen van Philosophy and the Mirror of Nature wordt, wat we zouden kunnen beschouwen als zijn hoofdwerk, Contingency, Irony & Solidarity uitgebracht. Dit boek bestaat logischerwijs uit drie delen. In het eerste deel vat hij nog een keer samen, in andere bewoordingen, wat hij in zijn vorige werk ook al heeft gezegd. Vervolgens propageert hij in het tweede deel een wat hij een ironische houding noemt.

        Iemand heeft volgens Rorty een ironische houding indien “(1) She has radical and continuing doubts about the final vocabulary she currently uses, because she has been impressed by other vocabularies, vocabularies taken as final by people or books she has encountered; (2) she realizes that arguments phrased in her present vocabulary can neither underwrite nor dissolve these doubts; (3) insofar as she philosophizes about her situation, she does not think that her vocabulary is closer to reality than others, that it is in touch with a power not herself.”

        Nu kun je hieruit de conclusie trekken dat je niets meer serieus moet nemen en je jezelf louter hoeft toe te leggen op Reviaanse ironie: “Het half ironisch, half serieus sarren van die brave progressieve weldenkenden met hun humorloze bedilzucht en morele zelfgenoegzaamheid.” Dit is echter niet de conclusie die Rorty trekt.

        Rorty stelt weliswaar dat de droom van een liberale samenleving, een samenleving die wreedheid zoveel mogelijk probeert te voorkomen, contingent is. Dat betekent echter nog niet dat je niet geëngageerd mag zijn als mens. In het bijzonder als schrijver is engagement een grote goed, volgens Rorty! Hij wijdt niet voor niets een heel hoofdstuk in dit boek, in het deel over ‘Solidarity’, aan George Orwell, over geëngageerd gesproken! In het artikel wat Victor hierboven al noemt, en wat hier gevonden kan worden: http://www.publicaciones.urbe.edu/index.php/telos/article/viewFile/1970/3330, verdedigt Rorty de stelling dat literatuur ons zou moeten helpen onszelf te verlossen van egotisme. Dit kan op individueel niveau (b.v. Proust), maar ook op collectief niveau (b.v. Dickens). Rorty zou dan ook helemaal niet gelukkig zijn met een cultuur waarin alleen maar Reve’s of Grunberg’s zouden zijn, sterker nog, hij zou zich omdraaien in zijn graf als hij zou horen dat men die houding heeft aangenomen op basis van zijn schrijven. Wat hopelijk ook niet het idee is, en wat ik hierbij meteen wil ontkrachten.

        Na Contingency, Irony & Solidarity heeft hij meer politiek en sociaal geëngageerde boeken geschreven zoals Achieving our Country en Philosophy and Social Hope. Allemaal een logisch vervolg op zijn eerdere werk.

        Hiermee hoop ik wat duidelijker te hebben gemaakt dat Rorty niet de juiste persoon is om aan te vallen in deze kwestie, in tegendeel. Hij mag weliswaar een ‘anti-foundationalist’ zijn, maar dat betekent niet dat hij vindt dat er geen moraal meer mogelijk is en dat schrijvers zich daarom niet meer met moraal zouden moeten bezighouden.

        • Merijn Oudenampsen zegt:

          Beste Dirk-Jan van Vliet,

          volgens mij praten we enigszins langs elkaar heen. Het nihilisme staat niet gelijk aan egotisme. Dat Rorty zich verzet tegen egotisme, heeft niet zoveel met de bovenstaande discussie te maken.

          Rorty is ervan overtuigd dat de moraal niet gegrond kan worden. Dit is niet enkel anti-foundationalism, het is tevens een klassiek element binnen het nihilistische denken, u weet wel: god is dood, er is geen waarheid, enkel de wil tot macht.

          Op basis daarvan komt Rorty uit bij een soort anti-ideologisch individualisme. Er is dus inderdaad engagement mogelijk bij Rorty, echter enkel een persoonlijk engagement met de mensen om ons heen, geen maatschappelijk engagement, omdat de taal ons die niet toestaat.

          Rorty is een zelfbenoemde nihilist, Victor heeft het gewoon niet goed begrepen:

          “American antifoundationalist Richard Rorty makes a similar point: “Nothing grounds our practices, nothing legitimizes them, nothing shows them to be in touch with the way things are” (“From Logic to Language to Play,” 1986). This epistemological cul-de-sac, Rorty concludes, leads inevitably to nihilism. “Faced with the nonhuman, the nonlinguistic, we no longer have the ability to overcome contingency and pain by appropriation and transformation, but only the ability to recognize contingency and pain” (Contingency, Irony, and Solidarity, 1989). In contrast to Nietzsche’s fears and the angst of the existentialists, nihilism becomes for the antifoundationalists just another aspect of our contemporary milieu, one best endured with sang-froid.

          In The Banalization of Nihilism (1992) Karen Carr discusses the antifoundationalist response to nihilism. Although it still inflames a paralyzing relativism and subverts critical tools, “cheerful nihilism” carries the day, she notes, distinguished by an easy-going acceptance of meaninglessness. Such a development, Carr concludes, is alarming. If we accept that all perspectives are equally non-binding, then intellectual or moral arrogance will determine which perspective has precedence. Worse still, the banalization of nihilism creates an environment where ideas can be imposed forcibly with little resistance, raw power alone determining intellectual and moral hierarchies. It’s a conclusion that dovetails nicely with Nietzsche’s, who pointed out that all interpretations of the world are simply manifestations of will-to-power.”

          http://www.iep.utm.edu/nihilism/#H4

          • Dirk-Jan van Vliet zegt:

            Nihilisme betekent mijns inziens het ontkennen van het bestaan van moraal of waarheid (zie ook de vandale), niet het ontkennen van het bestaan van een grond voor moraal of waarheid. Rorty doet dit laatste, maar niet dat eerste. Voor mensen die wel geloven in een grond voor een moraal is het soms heel moeilijk voor te stellen dat je ook in een moraal kunt geloven zonder dat je daar een grond voor hebt, toch is dat zo.

            Verder kom je aan met een mooi citaat, maar in dat hele citaat staat alleen dat de schrijver vindt dat Rorty een nihilist is. Rorty zelf zal je dat nergens horen zeggen.

            Als je goed gelezen had, dan had je gezien dat dit stukje: “This epistemological cul-de-sac, Rorty concludes, leads inevitably to nihilism,” niet van Rorty komt, maar van de schrijver van die tekst waarnaar je verwijst.

            Het zijn vooral de tegenstanders van Rorty die hem een nihilist noemen. Hij zelf, en andere aanhangers zouden hem nooit een nihilist noemen.

            Zelfde geldt overigens voor Nietzsche. Het is voor mij onbegrijpelijk hoe iemand hem een nihilist kan noemen. Ja, je kan nihilistische conclusies trekken uit zijn denken. Maar dat hoeft niet, en dat doet Nietzsche ook niet. Hij geeft ons juist een hele duidelijke en sterke moraal, namelijk die van de omkeering alle waarden en die van de herenmoraal.

            Je kunt het, wederom, oneens zijn met de moraal die Nietzsche voorstelt (ik ben het met hem oneens in deze, net als Rorty het met Nietzsche oneens is in deze), maar hij heeft _wel_ een moraal.

            Zelfde geldt voor Rorty: hij staat een moraal voor van een liberale samenleving waarbij men doorgrond is van het besef dat wreedheid zoveel mogelijk voorkomen moet worden.

          • Merijn Oudenampsen zegt:

            Ik reageer even op het stuk hieronder. Je mag natuurlijk verstaan onder de term nihilisme wat je eronder wilt verstaan, maar de manier waarop deze in het algemeen wordt begrepen in de politieke filosofie is het ontkennen van een grond voor moraal en waarheid niet het ontkennen van moraal of waarheid an sich. De Van Dale is overigens niet bepaald een autoriteit wat betreft filosofische concepten, dat je het weet. Zoals je zelf laat zien, is het nihilisme van Nietzsche ook geen nihilisme meer, als je een dergelijke uitgeklede definitie hanteert. En Nietzsche sprak zich toch echt zelf uit over het nihilisme, niet enkel zijn vijanden hebben dat op hem gespeld.

    • Victor Gijsbers zegt:

      Ha, ja, Rorty een nihilist noemen is wel heel ver bezijden de waarheid, en zeker in een discussie over literatuur! Naast het ongetwijfeld goede commentaar dat Dirk-Jan hier zal geven, is het wellicht aardig bijvoorbeeld eens Rorty’s artikel “Redemption from Egotism” te lezen, dat precies een uiterst on-nihilistische morele taak aan de literatuur toeschrijft.

      • Merijn Oudenampsen zegt:

        Rorty is een zelfbenoemde nihilist:

        “American antifoundationalist Richard Rorty makes a similar point: “Nothing grounds our practices, nothing legitimizes them, nothing shows them to be in touch with the way things are” (“From Logic to Language to Play,” 1986). This epistemological cul-de-sac, Rorty concludes, leads inevitably to nihilism. “Faced with the nonhuman, the nonlinguistic, we no longer have the ability to overcome contingency and pain by appropriation and transformation, but only the ability to recognize contingency and pain” (Contingency, Irony, and Solidarity, 1989). In contrast to Nietzsche’s fears and the angst of the existentialists, nihilism becomes for the antifoundationalists just another aspect of our contemporary milieu, one best endured with sang-froid.

        In The Banalization of Nihilism (1992) Karen Carr discusses the antifoundationalist response to nihilism. Although it still inflames a paralyzing relativism and subverts critical tools, “cheerful nihilism” carries the day, she notes, distinguished by an easy-going acceptance of meaninglessness. Such a development, Carr concludes, is alarming. If we accept that all perspectives are equally non-binding, then intellectual or moral arrogance will determine which perspective has precedence. Worse still, the banalization of nihilism creates an environment where ideas can be imposed forcibly with little resistance, raw power alone determining intellectual and moral hierarchies. It’s a conclusion that dovetails nicely with Nietzsche’s, who pointed out that all interpretations of the world are simply manifestations of will-to-power.”

        http://www.iep.utm.edu/nihilism/#H4

  10. Ralph van der Geest zegt:

    Getuige bovenstaand is er een nieuw dwaallicht opgestaan in deze tijd waarin er een ware wedijver in stupiditeit en aanzetten tot haat en geweld aan de gang is welke begonnen is zo ongeveeer met de grote bek van polder-Mussolini Fortuyn.
    Fortuyn die iets ‘kanaliseerde’…my ass.
    Ik weet niet zo heel veel van filosofie af maar volgens mij zou Nietzche zich in zijn graf hebben omgedraaid als ie had geweten dat Breivik-adept en wannabe-massamoordenaar Theodor Holman hem als inspiratiebron heeft gebruikt (volgens zeggen achteraf) voor zijn oproep tot moord op mensen uit Polen.
    Verder meneer Oudenampsen, bevindt u zich met iemand die in “Trouw” “GeenStijl” op tracht te voeren als zo’n beetje het beste dat Nederland sinds de Verlichting is overkomen en een muts die op een rechts reactionair siteje nieuws maken met journalistiek verwart – en daarmee de huftergheid van POWNed tracht mooi te praten- in een zeer bedenkelijk gezelschap…
    We kunnen er lang of kort over filosofren maar in my book zijn “GeenStijl”, POWNed, Theodor Holman en ook een openlijke nazi als Joost Niemöller de reïncartnatie van Julius Streicher’s “der Stürmer”.
    Hen en hun praktijken afwijzen en compromisloos bestrijden (in plaats van zoals u en nog een aantal anderen doen er een mooi sausje overheen gieten) mag u een vorm van nihilisme noemen, ik noem het een kwestie van beschaving.

    • Merijn Oudenampsen zegt:

      U heeft de tekst niet goed begrepen. Ik ben absoluut geen fan van GeenStijl. Ik ben juist een fervente tegenstander van dat weblog. Mijn argument is eerder dat om GeenStijl en nieuwrechts effectief te bestrijden, ironie of nihilisme niet werkt.

      groetjes,

      Merijn

  11. Ben Hermans zegt:

    Dirk-Jan, je bent veel te aardig. Het is niet per ongeluk dat Rorty hier verkeerd voorgesteld wordt.

    Het is evenmin een ongelukje dat de vermeende ironische (dwz. illusie-loze) houding van romanschrijvers hier op slinkse wijze wordt gekoppeld aan de ironie als stijlfiguur, en de cynische uitwassen daarvan bij Pownews e.d.

    Dat is opzet.

    Rorty moet hangen omdat hij, corrigeer me als ik het fout zeg, betoogde dat de ironische (privé-)houding en politiek engagement best samen kunnen gaan.

    Deze mensen vinden van niet, en vallen de ironische houding zélf aan, en wel in de persoon van de romanschrijver, die zich in zijn eigen machteloosheid zou wentelen, een cynische handelaar in desillusies.(Zou een interessant debat kunnen opleveren, maar helaas is dat niet hun bedoeling, ze lezen bovendien geen romans.)

    [deel 2 volgt]

  12. Ben Hermans zegt:

    Kijk ook naar de aanleiding: Kees ’t Hart maakte zich in DGA vrolijk over de idolate, kritiekloze De Bloois en Van den Hemel in hun bundel over Badiou, en ook over het orakel zelf: de pompeuze taal, het zelfbedachte jargon, etc. Hij citeerde de inmiddels rood aangelopen volgelingen: ‘Op politiek vlak verwerpt Badiou dan ook resoluut de parlementaire democratie ten faveure van “de Idee van het Communisme”.’

    ’t Hart schoot bij de laatste zin in de lach. Ik niet. Misschien omdat ik niet bij de verhitte debatten van zijn generatie aanwezig was, en ongetwijfeld zal het met De Bloois en Van den Hemel ook niet zo’n vaart lopen (ze zijn nog jong, geloof ik).

    Het gaat dus om Badiou, en wat hij (en zijn groeiende aanhang) van kunst verlangen. Omdat ik lui ben citeer ik een bespreking op De Reactor: “Badiou wijst ook kunst af waarin ‘verlangens, fantasieën en angsten’ worden geëtaleerd, en wel omdat ze particularistisch zou zijn. Tegen dit particularisme, dat communautair, talig, religieus, seksueel of (auto)biografisch van aard kan zijn, brengt hij een geëngageerd universalisme in stelling.”

    Nou zijn we er. ‘Geëngageerd universalisme’. Het algemene boven het particuliere, het politieke boven het persoonlijke. Het lijken de jaren dertig wel. Ik zal niet betogen hoe idioot zo’n voorschrift is, vooral in de literatuur. (Badiou betoogt elders weer dat politiek en kunst gescheiden domeinen zijn – chaos troef dus, en dat is helaas niet de enige overeenkomst met een godsdienst.)

    Romans hadden voor Rorty een belangrijke functie: het inleven in andere levens, begrip kweken. Dat mag dus niet meer, van de gedachtenpolitie.

    Dat Badiou’s theorietje over waarheid als losstaand ‘evenement’ aanslaat bij theater- en preformance-kunstenaars is niet verwonderlijk. Wél dat zijn denkbeelden, zoals de frivole afwijzing van de parlementaire democratie, hier klakkeloos worden overgenomen.

    • Het wordt inderdaad ingewikkeld zo: over het “nihilisme” van Rorty gaat het in een bijzing onder verwijzing naar een boek van Karen Leslie Carr; en Merijn heeft het hier niet over Badiou – en ik weet dat hij zich niet als Badiouiaan beschouwt. Nu wordt door Hermans iedereen die op Ooteoote iets zegt op één grote hoop gegooid, en wordt de discussie over Rorty er plotseling één over Badiou.

      En nu wil ik me er toch heel even in mengen. Hermans maakt namelijk duidelijk dat hij niet alleen weinig met Badiou opheeft, maar ook weinig van zijn theorie weet. Dat is op zich niet erg, maar dan moeten we zoveel puinruimen voordat we aan de discussie zelf toekomen. Laat ik me beperken tot twee misverstanden: het eerste dat Badiou een soort hedendaagse Baudrillard zou zijn, en dat zijn gebruik van wiskunde op Sokaliaans bedrog rust: dat is gewoon niet waar. Geen idee of Hermans de Forcing methode van Cohen toevallig kent; Badiou wel, het zit écht wel goed met die wiskunde, dat kan ik, nogmaals, iedereen verzekeren. Het eindeloze gebruik van Sokal door mensen die geen moeite nemen zich zelf in de materie te verdiepen is zo onderhand zelf een vorm van intellectueel bedrog aan het worden.

      Tweede punt, iets subtieler misschien: Hermans vat Badiou’s opvatting van het universalisme op als het verheffen van het algemene boven het particuliere. Maar het universele binnen Badiou’s opvatting richt zich nou JUIST tegen algemeenheden. Het is een negatief universalisme, het centraal stellen van datgene wat binnen de wereld-zoals-die-is NERGENS een eigen plek heeft. Het gaat dus nooit om dogmatische positieve prescripties maar altijd om datgene, of diegene, die er niet mag zijn.

      En die mensen zijn er binnen het parlementair democratische stelsel nog altijd. Het zijn bijvoorbeeld de gecriminaliseerde illegalen die niet kunnen worden uitgezet. Die kunnen bovendien niet stemmen. Ze zijn er dus en we raken ze niet kwijt, maar ze mogen niet bestaan, niet juridisch, niet politiek. Vanuit dat perspectief is het eerder het klakkeloos aanvaarden van de parlementaire democratie, dan het afwijzen ervan, dat frivool moet worden genoemd. In zijn huidige vorm houdt acceptatie van de legitimiteit van dat systeem een hoop onaanvaardbaars in.

      • Nog een misverstand: dat Badiou zou beweren dat literatuur en politiek gescheiden domeinen zijn. Dat is niet zo. Het zijn wel verschillende “waarheidsprocedures”: een literaire waarheid is iets anders dan een politieke waarheid. Literaire waarheid is b.v. het vinden van een nieuwe vorm van literaire ervaring, wat elke grote schrijver doet (er is van ‘voorschriften’ dan ook geen sprake, Badiou is, hoezeer het de discussie ook zou vereenvoudigen, geen Zhdanov). Politieke waarheid is het vinden van nieuwe vormen van collectief handelen en nieuwe collectiviteiten etc. Niet hetzelfde, maar ook niet per definitie gescheiden: Badiou’s toneelwerk bevat genoeg politiek, bijvoorbeeld.

    • Beste Ben Hermans, u verwijt ons (nu ja, ‘deze mensen’) nogal wat. Dat mag. Maar die verwijten stroken op geen enkele wijze met de hier gepubliceerde teksten. Ik zie althans nergens geboden of verboden staan. Van een ‘gedachtepolitie’ is dan ook geen sprake, laat staan van een revitalisering van de jaren dertig.

  13. Frank Keizer zegt:

    De Ironie schreef een open brief aan P.F. Thomése: samplekanon.com/?p=2149 ‘Je probeerde me op een schild te hijsen, waarop ik vervolgens alleen maar mocht knipogen en poseren.’

  14. En hier nog een onbetaalbaar nieuwsbericht in het kader van de ironie-discussie:

    http://www.salon.com/2013/03/07/iconic_seattle_ceramicist_exposed_as_holocaust_denier_partner/