Johan Velter over Claus en Lucebert
In zijn reeks over Lucebert maakt Johan Velter een interessante vergelijking tussen Claus en Lucebert, tussen Nederlandse en Vlaamse poëzie:
“Lucebert voedt zijn poëtische kracht met de woordenboekwoorden – dit is slechts het verschil: de generatie voor hem gebruikte poëtische taal, stadhuiswoorden; Lucebert koos andere woorden uit maar dit was geen nieuwe poëzie). Er is bij hem dynamiek, een opzwepen (Claus laat dit niet toe: als het toch gebeurt, laat hij zichzelf struikelen), een staccato. Het einde van ‘christuswit’ (uit zijn debuut, 1948) is daarvoor typerend: “ik wilde dat dit drinken / ik wilde lieveling dit drinken / ik wilde christus lieveling dit drinken / dat het wit was lieve wit was / ik dacht dat christus altijd maar gewoon mij wit was”.
Lucebert is niet de idioot die toch kan dichten. Lucebert wist wel degelijk wat hij aan het doen was. Toch is zijn weg anders dan die van Claus: de ader kan opdrogen. De poëzie van Claus is rijker want minder aan de persoon zelf gebonden. Er is meer variatie, meer intelligentie, meer inzicht. Vooral: de wereld is groter.
Bij Lucebert hoor je steeds Hölderlin. Claus dicht over Hölderlin maar hij wil geen priester-dichter zijn. Ook daarom is Claus hedendaagser.Merkwaardig dat Vlaanderen nog steeds met barok en bourgondische kunst geassocieerd wordt. De poëzie van Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy, Paul Bogaert, Jan Lauwereyns is een denkende poëzie, staat tegenover die van enkele Nederlandse coryfeeën. Dat soort taalpoëzie is in Vlaanderen nauwelijks nog te vinden. Er is een paradigmawisseling gebeurd. Wat is poëzie? De oude woorden zijn niet langer geldig. Dan heb je ook nog iemand als Roland Jooris: schraalte, scherpte.”
Lees verder op het blog van Johan Velter.






