Published On: di, apr 24th, 2012

Amortisatie van Jacques Northe (fragment)

Wat betekent het om onmaatschappelijk te denken, schrijven, leven? Perdu wijdt op vrijdag 27 april een avond aan het werk van de onbekend gebleven Nederlandse schrijver Jacques Northe, en biedt daarmee een bijzondere kennismaking met proza dat na dertig jaar niets van zijn aanstekelijke plezier heeft verloren, en nergens aan actualiteit heeft ingeboet. Ooteoote blikt deze week vooruit met voorpublicaties, interviews en links.

Vandaag een fragment uit Amortisatie, de roman die vrijdag centraal staat.

Kapittel N

Les Phalanstères I
(fragment)

Over sluizen en over bruggen
ronde, platte, hoge, eeuwenoude die als boze katten krommen en strak gestroomlijnde, met de leuningen en afrasteringen staalkleurig of groen of rood – kleine bruggen waar vroeger net een paard en wagen overheen kon, ruime met 6 rijbanen en de tram in het midden – ophaalbruggen, spoorbruggen, wandelbruggen, ezelsbruggen, bruggen die in tweeën opengaan en die door een druk op de knop in één stuk statig rijzen – bruggen die nimmer opengaan, met asfalt overdekt, met bakstenen houten bruggen, opgesierd met kettingen en ringen – noodbruggen, permanente, semipermanente – bruggen over grachten, over sloten, over rakken, rokken, over stilstaand water en over stromend, over havens, binnenhavens, dokken, dijken, kanalen, vaarten,
geulen en groeven
uit gleuven en stegen, sloppen en straatjes waar altijd schaduw is, met onkruid, tussen de stenen als ongewassen voeten; straten waar mensen nijver zijn en trots op hun nijverheid; uit bredere straten met auto’s 1angs het trottoir; uit slecht verlichte straten, uit hel verlichte straten met tegelpaden, rijwielpaden, spijkerpaden, knippertollen, vluchtheuvels en zebra’s; uit lanen boulevards, alleeën, uit pleinen, brinken, meenten, leien,
vesten
uit alle hoeken van de stad,
uit hun holen en holten, stulpen en gaten, hun raten en cellen, pijpenla’s, slakkenhuizen, van onder de hanenbalken en uit de kelders, souterrains, basementen, kazematten, uit pakhuizen, opslagplaatsen, boxen, entrepots, reservoirs, abattoirs – uit percelen, belendend of vrijstaand; uit huizen met een tuintje, met een erker, met een bel-etage, met een kitchenette, lavet, buffet – huizen met volières, aquaria, bibliotheken, spreekkamers, kinderkamers; uit herenhuizen, vanachter kantoren en magazijnen, uit hotels, pensions, logementen, vrijgezellenflats, tehuizen, bewaarplaatsen, klinieken, paviljoens, uit legersteden en bedsteden, uit alkoven, en kerkhoven komen zij tevoorschijn, knipperend tegen het avondlicht maar zich in donkerte toch prettiger voelend dan overdag en begeven zich met veren, ponten, trams en bussen, auto’s, motors, scooters, driewielers, tandems, fietsen, met treinen, met jeeps en trailers, koelwagens, kipwagens, vuilniswagens, luiwagens, ambulances of te voet
door langs over onder of via
tralies, hekken, poorten, binnenplaatsen, galerijen, hofjes, peristylen, gaanderijen, hallen, markten, remises, banken, plantsoenen, parken, fietsenstallingen, stadions, dierentuinen, hortussen, cafetaria’s, cafés, bars, balies, restaurants, centrale keukens, vuilverbrandingen, gerechtshoven, politiebureaus, legers des heils, kiosken, krullen, lantaarnpalen, bomen: eiken, iepen, sparren en dennen, beuken en platanen en berken met hun zilverachtige stam – langs dwarsbomen, rechtbomen, krombomen, zuilen, naalden, monumenten, beelden, fonteinen, GEB-huisjes, telefooncellen, opticiens, antiquairs, apotheken, farmaceuten, drogisten, slijterijen, pastorijen, posterijen, reisbureaus, cinema’s, warenhuizen, beurzen, universiteiten, rijscholen, maneges, zwembaden, ijsbanen, volkstuintjes, moestuinen, bossen, wouden, steppen en toendra’s als een horde, een falanx, die in een keer oprukt naar het centrum – zonder lawaai, ongemerkt, zonder opschudding te verwekken – naar een onweerstaanbare magneet, verborgen, ergens daar in die stad, tussen al die huizen,
die muren, puien, schuttingen, gevels, daken om vanaf te schreeuwen, om haasje over te wippen, schoorstenen, ruiten, vensters, spionnetjes, etalages, vensterbanken, deuren, ingangen, doorgangen, opgangen, portalen, trappen, roltrappen, liften, – tussen flitsende lichtreclames, draaiende, stilstaande, tussen opschriften en platen – doorheen geluid uit luidsprekers, radio’s, grammofoons, bandrecorders, jukeboxen, magnetofoons – doorheen mensen die wandelen, zich vertreden, kuieren, drentelen, flaneren, de hond uitlaten, in ganzenpas 1opcn, als struisvogels, tortelduiven, als dromedarissen, commissarissen, als pinguïns, aansprekers met koevoeten, uierboorden – mensen die zich gehaast voortbewegen, gejaagd, gerept, opgejut, die rennen, racen, slingeren, pezen, sjezen, met de staart tussen de benen, met de bokkenpruik op, met hoorns, met Oost-Indische oren, schuimbekkend, rozevingerig – mensen die stappen, schuifelen, schoorvoeten, steenvegen, die hinkelen, winkelen, twinkelen, staren, loeren, spieden, en praten, schreeuwen, zingen, venten, neuriën, neuzelen, mummelen, gapen, geeuwen, braken, nacht-, in-, door-, uit-, ij-, z-, een magneet die hen ondanks alles steevast eenmaal in de week doet besluiten te voorschijn te komen.

Het schijnsel dat zich daar links al duidelijker boven het centrum begint af te tekenen, werkt op ons ook als een magneet. Het is of wat er in ons op spanning staat, daarin trilt: het zichtbaar worden van de dampkring, waarbinnen leven mogelijk is. Rechts zien wij in de verte het ons vertrouwde silhouet naderen. Wie het behelst weten wij niet. Het enige wat wij weten is dat het elke week op dit tijdstip hier langskomt en zich via een omweg – steeds dezelfde – naar een punt in de binnenstad begeeft. Wij gaan dit skelet onzer keuze volgen. Wij gaan het invullen met wat de stad straks in ons oproept, het bevlezen en van een musculatuur voorzien, waarbij de hersenen de vorm aannemen van de wonderlijke aanleg van de straten en grachten.
Niets heeft het in de gaten, terwijl het daar rustig zijn weg gaat onder de bomen, zonder aandacht voor de sfeer over de stille rivier. Het zal tevoorschijn gekomen zijn uit het beton van een wijk die nog niet als deel van de stad is erkend. Bij de begraafplaats heeft het de rivier bereikt.
Daarvandaan komt het op ons af. Onder het viaduct doorgegaan, eigentijdse huizenblokken eerst alleen ter linkerzijde, aan de overkant ongeregeld. Zo nadert het ras het punt waar wij het verstolen opwachten: precies daar waar in de blokken de 20ste eeuw overgaat in de 19de: individualistischer, de smakeloosheid niet verbergen achter angstvallige massieven. Aan de overkant heeft de wisseling al eerder plaatsgevonden.
Dan zet men de achtervolging in, het centrum tegemoet. Wij steken over en gaan nu ook langs het water, onze passen regelend naar zijn tred. In niets verschillen wij van de andere bewoners die in de schemering door de stad bewegen. Een geweldig avontuur, iedere keer weer, hoewel wij de weg die wij zullen uitstippelen, exact kennen. Er zijn verrichtingen die ons, hoe dikwijls ook herhaald, altijd maar in opwinding brengen. Wij gaan de brug op die de gedaante voor ons bijna afgaat.
Bruggen overkoepelen, maken begaanbaar wat uiteen wordt gehouden. Het water heeft in deze stad de mens honderden jaren tot overgangen, modulaties, enjambementen gedwongen.
Op de afloop al linksaf geslagen, terechtgekomen op een stuk kade dat zich verzet tegen verval. Dat is een stad: verzameling van neerslagen. Ook – en wij weten dit vlak in de buurt – een constante bouwput, waar gedachten op de toekomst gericht, heden worden. Daar tussendoor begeven wij ons thans en het laat sporen in ons achter. Wij passeren twee grote verkeersaders, één boven, één gelijkvloers en na even links en rechtsom, staan wij in een van die stukken stad waar de tijd haast zichtbaar wordt in de gevelbouw. Gevels uit vele eeuwen dooreen, in een chaotisch naast elkaar. Zij worden in toom gehouden door de rangschikking die de waterlijn oplegt, door het uitzicht op de grotere regelmatigheid aan de overkant, door de invallende duisternis die alles gelijkschakelt.
Een sluis: symbool van afwachten, regulatie, relativering, tolerantie, eigen peil kiezen. Een brug is apollinisch, uit de verte, overspannend, neerbuigend – een sluis is anti-dionysisch.
De lijnen van de gevelrijen en grachten spelen ons om en door het hoofd. Zij tekenen de fantasieën voor. Wij blijven gedurig invullen. Bij iedere schrede wisselt het aspect van de figuur voor ons uit, of het onze. Gelijkmatig gaat het verder. Na een grote ophaalbrug links te hebben laten liggen, komen wij even later bij een kleinere. Staan blijven een moment. Bruggen verbinden iets in de stad, bruggen verbinden iets in onszelf. Gevelrijen die geloken op ons neerzien, die in later tijden vroeger eeuwen doortrekken. Met elke brug die wij passeren, met elk stuk gracht komen wij dichter bij het hart van de stad. Bij elke steeg, bij elke stoep zakken wij dieper terug in onszelf.
Een nieuwe verkeersader voorbij. Een stukje kade, net als na de eerste brug, in verval, alleen nog erger. Verkalkt, afgebladderd, met spatten verf waar het niet hoort en het kaal is waar je kleur verwacht.

Uit: Jacques Northe, Amortisatie, deel I

About the Author

- Frank Keizer is dichter, vertaler, redacteur en criticus. Publiceerde in 2012 het chapbook Dear world, fuck off, ik ga golfen bij Stanza en in 2013 Rampensuites bij Perdu, een vertaling van Disaster Suites van Rob Halpern, gemaakt samen met Samuel Vriezen.

Displaying 1 Comments
Have Your Say
  1. ralf zegt:

    peristylen? wazda?