Gepubliceerd op: zaterdag 4 februari 2012

Vasalis en de dichterlijke werkvloer

Ze zijn niet dicht bezaaid, dichters die de eerste versie van hun gedichten voor geen verbetering vatbaar vinden. De meesten schaven en peuteren aan hun gedichten vaak nog jaren na de eerste worp. Lord Byron was één van die zeldzamen die zijn gedichten niet kon/wilde herschrijven. Ook onze eigen Vasalis vond dat haar gedichten in één keer goed moesten zijn. Ze moesten, met haar eigen woorden ‘kers-vers’ zijn. Op zijn blog gaat Leo van der Sterren dieper in op deze Vasalis-methodiek:

“Vasalis kon of wilde niet aan haar gedichten werken. Daar ligt volgens mij de oorzaak van haar writer’s block. Uiteraard dient zich dan de vraag aan waarom zij dat niet kon of wilde. Wellicht had zij ondervonden dat het ambachtelijke aspect van het schrijven van gedichten teveel tijd in beslag nam, tijd die Vasalis niet had of niet meende te hebben – die zij zich in elk geval niet gunde. Misschien dat het dichterlijke handwerk haar tegenstond. Niet elke dichter is in staat om zich te wijden aan dat, niet altijd even stimulerende aspect van het vak, menigeen ziet er zelfs tegenop. En het feit dat het haar tegenstond heeft wellicht ook verhinderd dat zij zichzelf dit facet van het dichterschap eigen heeft gemaakt. Vasalis hanteerde haar eigen kwaliteitsnorm. Een gedicht dat niet in één keer goed of zo goed als goed op papier stond, kon in haar optiek nooit ofte nimmer adequaat recht doen aan het mystieke element in het concipiëren van poëzie, ‘als het gevoel dus overheerst’ – wat dat gevoel ook moge zijn. Het gedicht moest de volle waarde en betekenis goed laten uitkomen van dat unieke moment dat de dichter overmand werd door inspiratie en een gedicht kon noteren – alsof het hem gedicteerd werd – dat vol zit met gevleugelde woorden die van een compleet en volmaakt inzicht in de dingen, aards en buitenaards, getuigen. Je zou het de mysticiteit van het moment kunnen noemen. Maar een gedicht is iets anders dan het verslag van een mystieke ervaring. Die mysticiteit van het moment kan voor de dichter nog zo waardevol zijn, zij garandeert niet dat dichter goede poëzie vervaardigt. Goede poëzie is altijd in de eerste plaats woordkunst, taalkunst, kunst van overdrachtelijkheid, gevleugelde woorden-kunst. “

Lees verder op Uitpost Kephala.

About the Author

Displaying 4 Comments
Have Your Say
  1. De menschentaal van Vasalis

    Vasalis bekritiseert in haar bespreking van Atonaal in Libertinage 2, (1952) de overmatige gevoeligheid van de jonge dichters voor vorm-elementen als interpunctie, rijm, versvorm, meer dan voor de -latente- inhoud. Hun gebruiksaanwijzing dat men deze poëzie nu eens niet moet willen begrijpen of verklaren, maar onder-gaan becommentarieert ze als volgt: “Alsof dat niet de enige benadering van alle poëzie zou zijn: geen enkel werkelijk gedicht is tot in zijn eerste impulsen te verklaren of te begrijpen.” en verder in het essay: “Het onderbewuste of irrationele is tot – bewust – onderwerp geworden en heeft zich daarom, omdat het slim is en intact wil blijven aan de bezichtiging onttrokken. Vandaar, dat de aanwijzing om deze poëzie nu eens alleen maar te ondergaan zo moeilijk wordt op te volgen: zij beloven een fontein en fourneeren een handdouche. Ik ben moe geworden van het manipuleren met een handdouche.”

    Vasalis vat puntsgewijs samen wat haar opvattingen zijn over de nieuwe dichtkunst “voorzover ze die in Atonaal aantreft” (een interessante toevoeging die aangeeft dat zij eraan twijfelt of de selectie gedichten in Atonaal als enige representatief is voor de nieuwe dichtkunst). Zij ontleent overigens haar uitgangspunt aan Kouwenaars essay in Kroniek van Kunst en Kultuur. Opmerkelijk is dat ook zij twee soorten van experimenten onderscheidt, als ze ervan uitgaat dat de Atonalen pogen zich te ontdoen van cultuurballast en provincialisme enerzijds en zoeken naar een uitdrukking van het onderbewuste anderzijds. Het eerste, de kwestie van engagement en het verzet tegen een oude mentaliteit, vindt zij verheugend, maar meent dat de eigen vervreemding de terugkeer naar de bronnen verhindert. De haat tegen ‘het verstand’ oordeelt zij een gevolg van ‘een gevoelszwakte’. Haar conclusie is dat vormgeving en sentiment van deze poezie geforceerd zijn en dat de experimenten, met uitzondering van die van Lucebert, mislukt zijn (de gewichten naast de weegschaal). Zij wedt op de nieuwste poëzie, die met deze gegevens weer on speaking terms met zichzelf komt en menschentaal zal spreken Zij betwijfelt of die nieuwste poëzie zal voortkomen uit deze gelederen en waarschuwt tegen de verstarring van dit nieuwe jargon. En in een fit van cultuurpessimisme eindigt zij met een citaat:

    If there be nothing new, but that which is
    hath been before, how are our brains beguil’d,
    which labouring for invention bear amiss
    the second burther of a former child! .

    Vasalis schrijft over de nieuwste poëzie waarop zij wedt, een die mensentaal spreekt, wat de nieuwe van Atonaal volgens haar niet doet, want vormgeving en sentiment van deze poëzie zijn geforceerd en mislukt, naar haar mening. Ook gelooft ze dat die nieuwste poëzie waarover zij schrijft, waarschijnlijk niet uit de gelederen van Atonaal zal voortkomen Letterlijk: “Ik betwijfel of die nieuwste poëzie zal voortkomen uit deze gelederen”

    Aantekeningen uit mijn onafgemaakte proefschrift over het culturele tijdschrift ‘Libertinage’. Hoofdstuk 3: Vijftig …plus Libertinage. 1995.

  2. JJ Pollet zegt:

    Interessante aanvulling. Dank!

  3. Marein Baas zegt:

    Spannend dat de twee genoemde dichters rijmers in de vaste vorm zijn, bij uitstek geschikt voor slijpen, zou je denken.
    Ik heb niet één werkwijze, ik heb gedichten in tien versies en gedichten die meteen af voelen of zich niet laten temmen.

    Het mooist zijn misschien gedichten die zich, als een aardappel, vertakken in nieuwe gedichten.

  4. Het is juist dit artikel in Libertinage dat – tot aan de verschijning van Meijers biografie – altijd opgevoerd werd wanneer het ging over Vasalis’ writer’s block. Het laat zien hoe groot de afstand was tussen haar en de Vijftigers. De weinig complimenteuze bewoordingen – geen ‘menschentaal’ – en het gepsychologiseer over verstand en gevoelszwakte werden haar zeer kwalijk genomen. De voorspelling dat andere poëzie dan die van de Vijftigers snel zijn opwachting zou maken, is bovendien niet uitgekomen. Tot lang na 1952 zijn de Vijftigers beeldbepalend geweest.

    Vasalis was de aansluiting kwijt met jongere dichters en een gedeelte van het lezerspubliek. Voor iemand die zich zo verliet op inspiratie en intuïtie moet dat een schokkende ervaring zijn geweest. Als ik het goed heb begrepen, zoekt Meijer de verklaring voor Vasalis’ stilzwijgen vooral in het persoonlijke: tijdgebrek als gevolg van een druk gezins-, sociaal en professioneel leven. De dichteres Vasalis liet al dat tijdgebrek over zich heen komen; zoveel tijd kost het een inspiratieve dichter bovendien niet om een gedicht te schrijven. Het kan niet anders of de deuk in het dichterlijk zelfvertrouwen is een factor van belang geweest – juist bij wie het moet hebben van wat hem of haar ingeblazen wordt.

    Het was in ieder geval de opinie van Bertus Aafjes, die de Vijftigers met de marcherende S.S. had vergeleken en een goede vriend was van Vasalis. Haar zwijgen zag hij in het verlengde van zijn eigen zwijgen als dichter.