IM Adriaan Bontebal door Erik Lindner – fragment
Vandaag verschijnt in de papieren Groene Amsterdammer een IM Adriaan Bontebal door Erik Lindner. We lichten hier een kort fragment uit de tekst van Lindner:
“Adriaan Bontebal was befaamd om zijn collegialiteit. Hij zette klankdichter Jaap Blonk ertoe aan niet alleen de Ursonate van Kurt Schwitters uit te voeren, maar ook zijn eigen klankgedichten. Hij organiseerde in 1987 de Haagse Nacht van de literatuur waar een jonge Ingmar Heytze zijn held Johnny van Doorn kon ontmoeten. Hij heeft tal van jonge dichters gestimuleerd, het podium opgesleept. Competitie was hem vreemd. Met succes had hij een ambivalente verhouding. Terwijl hij veel optrad ontwikkelde hij een steeds hardnekkiger podiumvrees. Kort trad hij op met twee bodyguards, in kostuum gehesen kleerkasten, waartussen hij mager afstak.
Een van zijn meest gedenkwaardige teksten is het ‘Haags dagboek’, een reportage die hij met zijn vriend Hans de Bruin schreef over de belegering van De Blauwe Aanslag door aanhangers van extreem rechts volgend op de aanslag op de echtgenote van Hans Janmaat in Kedichem in 1987. Bontebal en De Bruin beschrijven de angst, de agressie, de vervreemding van krakers die een week lang opgesloten zitten in een gebouw dat dag en nacht bekogeld wordt met stenen. Het dagboek is afwisselend een literaire en een journalistieke weerslag van de gebeurtenissen en maakt de verbijstering inzichtelijk over hoe mensen in gevechtshouding kunnen schieten en hoe moeilijk ze er uit komen. Het is gepubliceerd in het literaire tijdschrift De XXIste eeuw.”
Tot slot nog een typerend citaat van Bontebal zelf:
TOEN IK IN HET HAAGSE BOS, schuin achter het gebouw van de Sociaal Economische Raad, een bruggetje wilde overgaan, werd ik staande gehouden door een kikker. Hij stond op zijn achterpoten, zodoende weet ik dat het een hij was, en in zijn linkervoorpoot hield hij een bosje loof van de wilde peen.
‘Als je bij volle maan,’ sprak hij, ‘klokslag middernacht hiervan eet en daarna vijfmaal gorgelt met twee dagen oude, halfvolle melk, kun je praten met de dieren.’
Grinnikend liep ik door. Wat kunnen kikkers bij tijd en wijle toch een onzin uitkramen.
