Gepubliceerd op: dinsdag 7 februari 2012

(Betoog voor) Minder 3D

Laatst ging ik naar een 3D-film, de eerste sinds ik als kind in de bioscoop van een pretpark een reusachtige hond uit het scherm zag komen. Het brilletje hield ik toen strak tegen mijn gezicht geklemd. Het mooie aan deze film was, dat er niet alleen een horde ratten steeds dichter op me af kwam, maar dat er onder mijn stoel ook tientallen staarten met korte tikjes tegen m’n enkels sloegen. Toen ik de zaal uitkwam, begreep ik het allemaal heel goed. De hond leek zo echt dat ik ‘m kon aaien en met mijn handen had ik de laatste rillingen van mijn enkels geslagen. Mijn vader zei dat de film zo goed was omdat ze de dieren driedimensionaal hadden gemaakt en in de auto op weg naar huis viel het me voor het eerst op dat ook de bomen en stoplichten dat waren.

Een paar weken geleden begreep ik het ineens veel minder goed. De brokstukken van kapotte voertuigen vlogen mijn kant op. Boven het hoofd van de vrouw voor mij knalden explosies door de ruiten. Iedereen in de zaal had z’n bril op. Dit was het kijken van de toekomst, maar het leek me juist een stap terug.

Een film is anderhalf uur een andere realiteit. Een gedekte tafel op het strand en de geur van de Middellandse Zee, worden geëffend in de opname ervan. De kijker bouwt via de 2-dimensionale versies op het scherm, de gebeurtenissen in zijn hoofd weer op: hij dekt de tafel, veegt het zand van z’n vingers. Je moet erin geloven. Sommige mensen kunnen dat heel goed, worden opgenomen in het verhaal en vergeten hun hand die in de popcorn grijpt. Anderen beseffen steeds: het is maar een film.

Zelf verplaats ik me net zo soepel in een oorlogsgebied, als dat ik een berg beklim vanuit mijn stoel. Vanaf het moment dat de film begint, valt mijn werkelijke omgeving weg. Maar deze 3D- film, gemaakt om levensecht te zijn, stokte mijn verplaatsing. Ik zat te kijken naar een constructie van een wereld, die niet alleen moest worden opgericht in mijn hoofd, maar meende zich nog meer te moeten bewijzen, nog échter aanwezig te zijn. Ik moest me niet alleen in de hoofdpersonen kunnen verplaatsen, ik moest ze bijna aan kunnen raken. Het idee was dat ik me daardoor meer zou laten meesleuren door de film, maar mijn beleving haperde. Steeds was ik bezig met hoe het 3D-effect boven op de film lag en met zijn overdreven poging levensecht te zijn, terecht kwam in het kapsel van de vrouw voor mij. Nergens kwam de vrije val, omdat de overlap van de film met de bioscoopzaal, me vast hield in de stoel waaruit ik niet kon vallen.

Ik geloofde in de neus van de hond omdat die net zo overtuigend was als mijn vader die naast me in de bioscoop zat. Het besef van echt en onecht was als kind veel makkelijker op pauze te zetten. Op TV wandelde je mee met een man op de maan en stapte uit de auto op de bodem van een getekende onderwaterwereld.

Nu, jaren later proberen we ons diezelfde beleving op allerlei vernuftige manieren opnieuw toe te staan. Van opgehangen foto’s vergeten we de randen om terug te gaan naar het vastgelegde moment. Schilderijen roepen landschappen op waar we graag zouden zijn. In boeken leiden we andere levens dat het onze. Deze reizen zonder verplaatsing maak ik elke dag opnieuw en schamp dan steeds de randen van mijn bestaan. De 3D-film maakt zo’n reis alleen maar korter. Ik zet een bril op om de film te kunnen zien, zoals de waterval in Chinese restaurants gaat stromen als je de stekker in het stopcontact doet. Het effect is middelmatig. De bedrading loopt ondertussen ongegeneerd over de muur.

About the Author