Gepubliceerd op: maandag 19 december 2011

Ontmoetingen (1): Bij de dood van het licht

Op de dag dat Lucebert stierf was in Nederland een gedeeltelijke zonsverduistering te zien. Dat was op 10 mei 1994, ik zat toen in mijn eindexamenjaar en ik vond het een bijna te mooie speling van het lot. Ik was maar een paar dagen eerder op aanraden van mijn leraar Nederlands begonnen in ‘apocrief/de analphabetische naam’. Die leraar had me ook Camperts ‘Bij hoog en bij laag’ in handen gedrukt – wat ik ook een mooie bundel vond, maar de mysterieuze klanken en woordcombinaties van Lucebert fascineerden me oneindig meer. Alleen al door zijn naam, een samentrekking van twee keer het woord licht, werd de dichter in mijn beleving een soort primitieve god. Vandaar, denk ik, de ernst waarmee ik door het dakraam van mijn ouderlijk huis in Heiloo naar de gedeeltelijke zonsverduistering keek.

Die avond werd een documentaire uitgezonden waarin Lucebert in zijn atelier te zien was terwijl hij zijn gedichten voordroeg. Het was de eerste keer dat ik de dichter zag praten en bewegen en vraag me niet waarom, maar nog steeds als ik aan die uitzending denk, heb ik daar het woord ‘fontein’ bij. Misschien was dat een prominent woord in een van de gedichten die hij voordroeg, misschien moest ik aan het woord denken toen ik hem zag gesticuleren – misschien was het een combinatie ervan. Ik herinner het me als iets magisch. Lucebert deed vaak zijn ogen dicht als hij voordroeg, de onwaarschijnlijke klankenreeks leek bij hem uit een onbekende diepte te komen. Dat de klanken vaak geraffineerde betekenissen hadden, merkte ik pas later. Ik hield van Lucebert om zijn muziek.

In boekhandel Athenaeum in Amsterdam hing jaren geleden een mooie foto. Een kale Lucebert keek met iets van spot over zijn bril naar het publiek van de Nacht van de Poëzie. Zijn rechterhand was tot een vuist gebald. Niet lang nadat die foto is genomen was hij dood. Als grafsteen heeft men een van zijn eigen kunstwerken gebruikt. Het is een geel, veelvormig object dat in zijn levendigheid een protest lijkt uit te drukken. Tegen de dood, het dood zijn. Een jazzsolo op het kerkhof. Maar juist de kleurigheid benadrukt de vergeefsheid van dat protest. Juist de muziek benadrukt de stilte.

About the Author