Gepubliceerd op: zaterdag 10 december 2011

Maar waar gaat je gedicht eigenlijk over?

Onlangs verscheen bij Penguin een vertaling van het lange bekende gedicht van Luis de GóngoraThe solitudes (vertaalster: Edith Grossman). Het gedicht wordt dit weekend besproken in de ‘Sunday Book Review’ van de New York Times. De recensie begint echter met een referentie naar een blogpost op het filosofieblog van de NYTThe Stone – waar filosoof Ernie Lepore een stukje schreef over de hardnekkige vraag die veel poëzielezers stellen tot wanhoop van menig dichter: “So what is your poem about?/

“In “The Well Wrought Urn” — that well-known and well-wrought book of literary criticism — Cleanth Brooks described what he called “the heresy of paraphrase.” The main idea — that efforts at paraphrasing poetry into prose fail in ways that parallel attempts for prose do not — was not new. It has been generally agreed upon since Aristotle. This skeptical thesis was championed in the first half of the 20th century by the New Critics as well as by their guiding spirit, T.S. Eliot, who, when asked to interpret the line “Lady, three white leopards sat under a juniper tree in the cool of the day…” from his poem “Ash Wednesday,” responded, “It means ‘Lady, three white leopards sat under a juniper tree in the cool of the day.’ ””

Valt een gedicht te parafraseren of niet? Ernie Lapore schetst de verschillende visies in zijn stukje Poetry, Medium and Message. Het brengt de literatuurcriticus van de New York Times in elk geval op een vergelijking tussen Góngora en Quevedo:

“Góngora is een markante figuur in de vroegmoderne Spaanse literatuur — hij werd geboren in 1561, drie jaar voor Shakespeare — en zijn werk draait vooral om ‘taal zelf en niet om emotieve referenties’, zoals vertaalster Edith Grossman het uitdrukt. Bijgevolg verwacht je je aan rijkelijk versierde, vaak ondoordringbare poëzie, volgestouwd met klassieke citaten en metaforen die in elkaar groeien als rozenstekjes die te dicht naast elkaar zijn geplant. Zijn aanpak leverde Góngora de vijandschap op van zijn meest getalenteerde tijdgenoot, Francisco de Quevedo, wiens eigen werk uitblonk door gevatheid, heldere taal en evenwicht.  Natuurlijk bespraken de twee dichters hun verschillen in visie op de typische wijze van grote kunstenaars, ’t is te zeggen, Quevedo schreef een sonnet waarin hij Góngora’s neus op de korrel neemt.”

Lees The rediscovery of Luis de Góngora op NYT.

About the Author

Displaying 1 Comments
Have Your Say
  1. Jurgen Eissink zegt:

    Soms is parafrase mogelijk en aangenaam, en poëziekritiek kan er m.i. niet zonder. Uit mijn artikeltje dat onder de titel ‘Het gezichtsveld van de scheerder gedeeld als dat van een paard’ verscheen in de Roskam van 14 oktober jl.:

    In de kranten werd het gedicht ‘Het open raam’ van Tranströmer afgedrukt: een man scheert zich boven voor het open raam, het gespin van het scheerapparaat groeit tot het geluid van een helikopter, waarmee de scheerder opstijgt, over de zomer vliegt en de wereldse activiteit ziet, tot de mensen in dat decor plots stilstaan als in het poseren, vroeger, voor het maken van een foto, maar de scheerder weet dan niet waar het hoofd te wenden: ‘mijn gezichtsveld gedeeld / als dat van een paard.’ Misschien is dat een dichterlijke verdienste: het scheren hoeft niet meer voor een spiegel te gebeuren, maar kan ook voor een open raam. Robert Graves (1895-1985) deed het voor een spiegel, met een schraper – en legde dat een halve eeuw geleden in een vroeg soort videoclip, met het gedicht als voice-over, vast. ‘The face in the mirror’ bekijkt de hangende wenkbrauw, ‘a foolish record of old-world fighting’, en de andere gelaatseigenschappen. Dan vraagt de dichter de man in de spiegel, wiens baard aandacht vraagt, once more waarom hij daar klaar staat, met een jongensachtige aanmatiging, om de koningin het hof te maken.

    –|——-