Gepubliceerd op: woensdag 1 december 2010

“Een pretpark is de hel. Toch ga ik er soms naartoe” – interview met Paul Bogaert

– door Roel Weerheijm

In september 2009 verscheen de Slalom soft van Paul Bogaert. De bundel werd zeer positief ontvangen en op Gedichtendag 2010 met de Herman de Coninckprijs bekroond. Kluger Hans sprak met Paul Bogaert over toezichthouders, giframpen, brainstormsessies, glijbanen, en maatschappijkritiek.

Hoe is de Slalom soft ontstaan? Was er een concrete aanleiding, een centrale gedachte?

Ik zat al lang met een gedicht in mijn hoofd, of meer bepaald met een titel voor een gedicht. Het zou Werkverminderingslied heten en ik wilde daarin de werkende mens in beeld brengen met al zijn/haar frustraties. Het zou een lang, volumineus gedicht worden. Toen ik er aan begonnen was, vermengde dat plan zich met andere ideexc3xabn en mogelijkheden, die ik in de gedichten uitprobeerde. En zo is dat Werkverminderingslied iets anders geworden.

Waarmee heeft dat Werkverminderingslied zich dan vermengd?

Met een ervaring in het zwembad. In de afgelopen tien jaar zijn mijn vrouw en ik meermaals met onze kinderen gaan zwemmen. Als ze heel klein zijn, wijk je als ouder natuurlijk niet van hun zijde, ook al zijn ze helemaal in drijvend plastic ingepakt. Maar toen kwam het moment dat de twee oudste kinderen het zwembad alleen gingen verkennen terwijl wij bij de twee kleinsten bleven. Ik herinner mij dat moment scherp, en vooral: hoe ik plots op een andere manier naar de badmeester keek.

Hoe was die blik veranderd?

Ik zag de badmeester niet meer als de strenge, onfeilbare toezichthouder/redder die ik kende uit mijn jeugd, maar als een gewoon mens. Die ook wel eens een mindere dag zou kunnen hebben. Of misschien geen ervaring met kinderen had. Iemand wiens gedachten zouden kunnen afdwalen. Het merkwaardige aan het beroep van badmeester is niet alleen dat ze werken in de vrijetijdsindustrie. Ze werken ook door ogenschijnlijk niets te doen en vooral te kijken.

Een beroep waarin u zich dan inleeft

Waar denken ze, al kijkend, de hele dag aan? En wanneer gaat dat denken aan over in, bijvoorbeeld, dagdromen  terwijl ouders rekenen op een constante alertheid? Zien ze wel wanneer wild plezier overgaat in roekeloos risicogedrag in de glijbanen? Zien ze wel wanneer er iemand in de problemen geraakt? Zo’n badmeesterfiguur heeft de hoofdrol gekregen in de bundel. Zodra ik dat beslist had, ben ik ook berichtgeving over zwembadongelukken aandachtiger gaan volgen.

De centrale taak van die badmeesterfiguur lijkt daarmee te zijn: hoe registreer ik een crisissituatie zo snel mogelijk, en hoe ga ik daar zo goed mogelijk mee om. Was het thema crisis, voor wat later de Slalom soft zou worden, een hoofdgedachte?

Even wel. Het woord ‘crisis’ stond aanvankelijk zelfs in een aantal gedichten. Dat kwam doordat ik een oud boek binnen handbereik had over crisismanagement, een boek dat ik op kantoor uit een prullenmand had gevist: Crisis Management, Planning for the Inevitable, door Steven Fink. Hij ontwikkelt een stappenplan en past het toe op grote catastrofen, zoals de giframp van Bhopal. [In die Indiase stad kwam veertig ton methylisocyanaat uit een bestrijdingsmiddelenfabriek vrij. De ramp eiste 50.000 slachtoffers – RW] Ik heb een paar elementen uit dat stappenplan gebruikt om ook de gebeurtenissen in het zwemparadijs en de spanningen in het hoofd van de badmeester wat te structureren. Maar toen de financiële crisis van 2008 uitbrak, heb ik het woord ‘crisis’ uit de gedichten geschrapt. Het woord heeft sindsdien, wellicht opnieuw, vooral een financiële connotatie. Ik wilde de lezers niet op dat spoor zetten.

Maar zonder dat het woord in de gedichten staat, is crisis wel een thema in de Slalom soft.

Zeker, als ramp en ongeluk. Het lijkt erop dat er iemand verdrinkt, zou kunnen verdrinken, of verdronken is. Maar het ging mij niet om dat ongeluk zelf. Het gaat vooral over hoe men erop anticipeert en reageert, over de mechanismen die dan allemaal in werking treden. Over de crisis in het hoofd van de badmeester ook.

Hoe wordt de crisis het hoofd geboden?

In de Slalom soft staan zinnen als ‘uit gevaar kansen slaan’ en ‘van woede iets moois maken’. Die frasen lijken op de clichés die bij crisissen altijd boven komen drijven. Ook in Crisis Management van Fink staan spreuken zoals ‘in elke tegenslag zit de kiem van een oplossing’ of ‘elke crisis is een kans’. ‘Crisismanagement’ is op zich een geweldig woord: het ongecontroleerde/oncontroleerbare onder controle krijgen. Het heeft een perverse kant omdat voor verantwoordelijken of schuldigen crisismanagement meestal meer over macht en imago gaat dan over de belangen van de slachtoffers, dat er dus blijkbaar mensen moeten lijden om ‘kansen’ te doen ontstaan. Anderzijds heeft crisismanagement iets realistisch en down to earth: er zijn al veel rampen gebeurd, ze gebeuren nu en er zullen er nog veel gebeuren en wat doe je dan het best? Crisismanagement bestaat trouwens voor een groot deel uit communicatie, uit mededelingen dus, uit vragen en antwoorden, uit nadenken over hoe je iets wanneer formuleert, uit taal dus.

Crisis is dus, al met al, een bruikbaar en misschien zelfs logisch thema voor een dichtbundel. Hoe heb je dit verbonden met dat andere uitgangspunt, de basis van het Werkverminderingslied, de werkende mens?

De badmeester kreeg de rol van de ‘werkende mens’, en dat heb ik gecombineerd met een mogelijke ramp op zijn werkplek, waardoor die niet meer kan functioneren zoals voordien. Dat is de ruggengraat van het verhaal in de bundel. Dat heb ik dan weer vermengd met een paar heftige scenes uit het kantoorleven.

Welk van die elementen beschouw je als de centrale gedachte van de eindversie van de Slalom soft?

Ik vind het moeilijk om een centrale gedachte te kiezen. Zodra ik begin te schrijven, beginnen altijd meerdere gedachten en bijgedachten elkaar te raken, te bevruchten of met elkaar te botsen. Nu eens stokt daardoor het schrijfproces, dan helpen dat soort vonken mij plots snel vooruit. Ook nu het boek al een tijdje af is, vind ik het moeilijk om er 1 gedachte uit te halen die ik dan de belangrijkste zou noemen. Je kunt er de draad uithalen van het gezonde of ongezonde wantrouwen tegenover onze medemens. Maar je kunt ook kijken naar hoe we taal gebruiken om anderen te beschuldigen of dingen te insinueren, om ons te verdedigen, dingen te verzwijgen, te liegen, rond de pot te draaien, onze posities veilig te stellen of ons ergens uit te lullen. Je kunt ook scherpstellen op dader- en slachtofferrollen: hoe een dader zich in een slachtofferrol kan hullen, en hoe die zich dan terecht of onterecht verdedigt, of hoe een slachtoffer als dader wordt voorgesteld. Of op hoe redders zelf slachtoffer worden. Mogelijk zelfs van zijn eigen seksuele fantasieën, zoals ook een recensent opmerkte. Op de omslag van de bundel staat dat de sfeer in het zwemparadijs opperbest is ‘tot de redder in de problemen komt’. Daar zit die verschuiving ook in.

Op het omslag van de Slalom soft staat ook: ‘gedicht’. De bundel kent echter een nummering van nul tot en met achtentwintig.

Ik wilde een lang gedicht maken, met een lijn in, maar ik wilde ook dat elk gedicht apart zou kunnen worden gelezen. Dat was een evenwichtsoefening. Moeilijk ook, want het risico bestond dat het geen geheel zou worden en dat de gedichten niet apart overeind zouden blijven.

Vindt u het gelukt?

Al bij al wel. Natuurlijk kunnen sommige gedichten makkelijker zonder de rest dan andere. Ik denk dat ik uiteindelijk de gedichten nog in vijf delen heb gestoken om er nog meer een geheel van te maken. Elk deel begint met een soort samenvatting in drie, vier regels van wat volgt, waardoor de Slalom soft nog meer het uitzicht krijgt van een verhaal.

Een dichtbundel begint voor de lezers en de recensenten, waar hij waarschijnlijk eindigt voor de dichter: met de titel. de Slalom soft is een opmerkelijke naam. Waar komt die vandaan?

In een van de eerste gedichten vindt een brainstormsessie plaats. Er ‘moeten namen worden bedacht’. Uit de ideetjes die men daar oppert en meteen afschiet, kan men afleiden dat ze op zoek zijn naar een originele, unieke naam voor een waterglijbaan. Maar elk voorstel zorgt voor ongewenste connotaties. Of, nog erger, de naam ‘bestaat al’. Na die brainstormsessie schiet er iemand te binnen: ‘Slalom soft, is dat niet iets?’ Een paar maanden nadat ik het had opgeschreven, ontdekte ik in de rekken van de supermarkt dat het al bestond, al is het geen naam van een glijbaan. Slechte naam voor een glijbaan dus, maar misschien net daarom wel een goede titel.

Veel gedichten gaan over het saaie, repetitieve, alledaagse kantoorleven. Veel recensenten zagen de Slalom soft als een parodie daarop.

Ik heb er een heimelijk plezier in om zo’n vruchteloze meeting in beeld te brengen, zoals die suffe brainstormsessie. Ik vind het leuk om de wrangheid van het afscheidsmoment van iemand die “het bedrijf verlaat” weer te kunnen geven in een beperkt aantal regels. Of om een banale kopieerhoek als een hel af te schilderen. Maar ik vind dat alles geen parodie, ik zie het meer als een documentaire, zoals zo’n documentaire waarin een reconstructie gebeurt. De kijkers, die weten wat er gaat gebeuren (of zeker toch dat er iets belangwekkends gaat gebeuren) kunnen kijken naar personages die nog niet beseffen wat er komt of wat ze aanrichten of hoe het zal eindigen. Ze kunnen zo een vreemd genoegen scheppen in het al dan niet zien van voortekenen. Banale dingen worden dan interessant of krijgen een emotionele lading.

De bundel lijkt een voortdurende aanklacht tegen de overdaad. Meer speciaal tegen de overdaad van het banale, het vervlakkende.

Het wordt voor de hoofdpersoon inderdaad te veel. Omdat hij bestookt wordt met pertinente vragen, omdat hij zichzelf vragen stelt, omdat hij klem komt te zitten. In sommige recensies wordt het ‘verstikking’ genoemd. Dat zit er zeker in. Gebrek aan lucht, letterlijk en figuurlijk. Een subtropisch zwemparadijs is een stolp. Maar een kantoorgebouw is dat ook, met bijna altijd dezelfde mensen rond je heen. Ook letterlijk: denk aan die sick buildings met slechte airconditioning, waar de ramen niet open kunnen.

Erik Jan Harmens had het in zijn recensie over amusement dat ons niet amuseert.

Hij schreef daarin dat amusement ons wordt ‘toegeworpen’, maar moeten we niet veeleer zeggen ‘verkocht’? Een pretpark is als ik erover nadenk de hel. Toch ga ik er soms met mijn kinderen naartoe. En hoe vreemd is het om als volwassene te betalen om in een subtropisch zwemparadijs koude trappen te beklimmen en glijbanen uit te proberen?

Wellicht zijn we aan het einde van een merkwaardige bloei van oppervlakkig amusement. Harmens merkt terecht al op dat veel van dit soort amusement niet meer amuseert. Maar waar begon het?

Ik heb in de bundel wat herinneringen verwerkt aan Biosfeer 2, een kunstmatige stolp in de Amerikaanse staat Arizona, waar zogenaamde bionauten eind jaren 80 in vrijwillige gevangenschap meer dan twee jaar moesten overleven, zogezegd voor de wetenschap. Dat was in een soort serre, met daarin nagebootste ecosystemen, die samen onze aardse biosfeer moesten evenaren. Het is een geweldig, echt gebeurd verhaal vol intriges en emoties, dat in de Belgische media veel aandacht kreeg omdat er ook een Belg onder de stolp zat. Het is ook een geschiedenis waarin (letterlijk) zuurstoftekort de motor was voor allerhande ingrepen en de voortgang van het verhaal. Dat waanzinnig experiment bracht trouwens tv-mensen op het idee van Big Brother en De Bus, ongeveer tien jaar geleden. Voor wie het zich nog herinnert of wil herinneren.

Het summum van amusement dat niet amuseert, zouden we kunnen stellen. En iets waarop u in de Slalom soft , naar mijn lezing, impliciet erg kritisch bent. Ziet u de Slalom soft als een maatschappijkritische dichtbundel?

Ik weiger te doen alsof ik zelf geen onderdeel ben van die maatschappij. De bundel gaat ook over laf zijn, niet moedig genoeg zijn om echt tegen de stroom in te gaan. Dat was in mijn vorige bundel nog veel meer aan de orde. Meestal is een goed boek toch altijd een vorm van kritiek? Maar voor mij is het dan ook kritiek op mezelf. Ik ben deel van die maatschappij, ik ben zelf een mens die dit hier en nu mee vormgeeft en ervan profiteert. Ik vel zeker oordelen, al is het via een omweg, maar even veel over mezelf dan over anderen. En dat is zelden zwart-wit, er zijn zoveel schakeringen van grijs, door na te denken, dingen uit te werken, krijg je nuances, veelzijdige toestanden, allerlei kleuren en tinten.

Tot slot: het viel me op dat uw taalgebruik in de bundel erg alledaags, sober is, bijna a-poëtisch.

Ik zie dat helemaal anders. Ik vind trouwens niet dat je kunt zeggen dat een woord of een zinsdeel uit zichzelf al dan niet poëtisch is. Is een krakend, beige plastic bekertjed minder poëtisch dan knisperende, goudgeel gebakken bladeren, nee toch? En ik vind veel stukken helemaal niet sober, integendeel. Wel is er in deze bundel bijna altijd iemand aan het woord, in de directe of indirecte rede, of in het hoofd. Het is dus vaak spreektaal, of beter spreektalig. Het lijkt op spreektaal, het zijn opgefokte varianten, doorgedreven versies van wat we elke dag overal kunnen horen. Dat gaat van uitgepuurd, scherp of zakelijk tot ronduit emotionele uithalen.

About the Author